ZE05 Een standbeeld voor Mary
Door Josine de Jong
Koningen
krijgen standbeelden en veldheren, kunstenaars of grote geleerden. De meeste
standbeelden zijn voor mannen. Hoe meer oorlogen ze gewonnen hebben hoe
beroemder ze zijn. Ze staan in de geschiedenisboeken vermeld en kinderen moeten
de jaartallen uit hun hoofd leren van hun oorlogen. Maar dit verhaal gaat over
een vrouw die heldendaden heeft verricht in de naam van Jezus. Zij kreeg ook
een klein standbeeld, ergens in Nigeria. In haar geboorteland Schotland staat
ze zelfs op een bankbiljet afgedrukt. En Mary Slessor,
zoals ze heette was een vrouw die vrede stichtte, vrouwen hielp en kinderen
redde. Ze werd wel genoemd: de blanke koningin van Okyong,
of de witte moeder. Luister maar naar haar verhaal.
Het gezin
waarin Mary opgroeide leefde in grote armoede door de dronkenschap van hun
vader. Moeder was heel lief en ze leerde haar kinderen alles over de Heer
Jezus. Op haar elfde, als vader overlijdt, moet Mary al gaan werken in een
jutefabriek van ’s morgens zes tot ’s avonds zes om het gezin in leven te
houden. Toch blijft Mary opgewekt en blij, want ze weet dat Jezus haar grote
vriend is. Ze gaat zelfs in de avonduren nog helpen op een kinderclub om de
kinderen van de straat van de heiland te vertellen.
‘Niemand
mag naar binnen’ zegt James, een grote goser zonder
manieren, als Mary arriveert bij het zaaltje waar ze bijbelclub houden voor
kinderen uit de buurt.
‘Echt wel,’
zegt Mary, die zich niet laat intimideren. ‘Ga opzij joh. Ik moet er door.’
Maar James
voelt zich een maffialeider. Op een seintje van hem komen er van alle kanten gassies aangeslenterd die bij zijn straatbende horen.
‘Hoor eens,
Rooie, er komt vandaag niemand op je Jezuscluppie, begrepen? In deze straat zijn wij de baas en
je hebt maar naar ons te luisteren als je leven je lief is.’
Dat ze haar
uitschelden voor rooie kan Mary niks schelen, maar
dat ze Jezus belachelijk maken…
Ze kijkt
het kringetje eens rond. Sommige jongens herkent ze. Ze horen zelfs op haar
club. Dat ze bij de bende horen komt omdat James hen heeft gedwongen mee te
doen. Ze wijst ze aan met haar vinger….
‘Andrew Fisherman, Mike en Jimmy Farmer.
Wat krijgen we nou? Als jullie moeder dit wist. Ga meteen naar binnen en
luister naar wat ik je ga vertellen over Jezus. Op deze manier kom je nog in de
gevangenis.’
De jongens
blij dat Mary zo moedig durft te zijn glippen achter haar het zaaltje binnen.
Maar James
weet wel hoe hij mensen onder druk moet zetten. Hij haalt een touw uit zijn
binnenzak met een stuk ijzer eraan vastgebonden.
‘Hebbie me niet gehoord, zus?’ dreigt hij. ‘Zal ik je mooie bekkie is in mekaar slaan? Ik ben
de baas van deze buurt, en daar heb je je maar aan te
houwe.’
Hij begint
het touw in de rondte te slingeren, dichter en dichter naar Mary’s
gezicht. Ze staat tegen een muur en kan geen stap achteruit. Maar ze knippert
zelfs niet met haar ogen.
‘Je doet
maar wat je niet laten kan, James,’ zegt ze, terwijl
ze een schietgebedje doet naar Jezus, ‘maar één ding zal ik je zeggen. Ik ben
niet bang voor patsers zoals jij! Je kunt beter zelf
ook naar binnen gaan voordat je in de hel terecht komt!’
Het stuk
ijzer zoeft rakelings langs haar neus. Zoefzoef,
steeds een klein beetje dichterbij…
De
omstanders houden hun adem in. Ze hebben zowat allemaal de sterke knuisten van
James aan den lijve gevoeld. Hij kan je gruwelijk gemeen zijn. Hoe gaat deze
confrontatie aflopen?
Mary maakt
gebruik van deze verwarring.
‘Naar
binnen allemaal en jij Big James gaat op de achterste rij zitten en je houdt je
grote bek dicht.’
‘Jèh!!’schreeuwen ze allemaal
opgelucht. ‘Jèh, Boss, achteraan en dan kun je op ons
letten.’
Op
onverklaarbare manier gebeurt het zoals Mary heeft voorgesteld. Grijnzend laat
de bendeleider zich meevoeren naar de zaal.
Of James
zich heeft bekeerd vermeldt de geschiedenis niet, maar iedereen is ervan
overtuigd dat Mary het dapperste ‘wijf’ uit de buurt is.
Als je zo’n moeilijke jeugd hebt gehad als Mary, dan kan je er
jaren later nog last van hebben. Maar niet als Jezus je helper is. Dan kom je
juist sterker in het leven te staan. Dan maak je van je minnetjes plusjes.
Mary kreeg zo’n liefde voor de mensen in nood dat ze als zendelinge
naar Afrika vertrok toen ze niet meer voor haar broertjes en zusjes hoefde te
zorgen. Wat ze daar allemaal beleefde, dat houd je niet voor mogelijk. In haar
eentje maakt ze verschillende tochten naar het binnenland over een rivier vol
krokodillen en waterslangen in een ranke kano. Zwermen muskieten belaagden haar
en bezorgden haar hevige aanvallen van malaria. En de mensen ontvangen haar
echt niet met open armen. Het zijn kannibalen, wrede vechtersbazen. Waar begint
ze aan?!
Op een dag
als ze door het oerwoud trekt, hoort ze het geluid van een soort kwaaie kat.
‘Pschèchch!’
Geschrokken
kijkt ze wat voor soort beest het is. En wat ziet ze? Een zwarte panter met
iets in zijn bek. Een diertje? Wat een raar diertje. Wacht eens… Het is
helemaal geen diertje. Het is… een baby!! Hoe kan dat nou??
Waar is de moeder?
Ineens
dringt het tot haar door, dat dit een weggooikindje moet zijn. Men denkt
namelijk in die streek dat tweelingen door boze geesten bezeten zijn en dus
gooien ze ze weg.
Mary wordt
pisnijdig. Ze pakt een stok en gaat achter de panter aan.
‘Laat los,
gemeen kreng, laat los!’ schreeuwt ze terwijl ze de panter een klap op zijn bek
geeft. Van schrik laat de panter de baby vallen en gaat er vandoor.
Gelukkig is
de baby nog niet gewond. Mary vindt ook de andere helft van de tweeling. Ze
zijn nog zo klein en hebben hartstikke veel honger.
Als Mary haar pink in één van hun mondjes stopt beginnen ze er fanatiek op te
zuigen. Snel geeft ze ze wat water uit haar kruikje.
Ze bindt ze in een doek en brengt ze naar haar hut.
Gelukkig
blijven ze beiden in leven. Voortaan is Mary hun moeder.
En deze
tweeling blijft niet de enige. Tientallen tweelingkinderen weet ze te redden.
Ze neemt ze mee op haar tochten naar het binnenland.
Op een
andere keer wordt Mary ongewild betrokken bij een oorlogssituatie tussen twee
stammen. De tamtam zweept de krijgers op. Het oerwoud weergalmt van bloedstollende
kreten.
‘Laat mij
tot ze spreken,’ zegt Mary, die hijgend komt aanrennen, tegen opperhoofd Edem.
Maar die
zit dat absoluut niet zitten.
‘Vrede
maken is geen vrouwenwerk!’ snauwt hij. ‘Wat wil je ze nou vertellen. Ga liever
naar je hut.’
Mary is er
niet van onder de indruk.
Ook zonder
zijn toestemming gaat ze tussen de twee partijen in staan en roept: ‘Houd er
mee op!! En nu meteen! Ik heb jullie toch geleerd dat
je problemen moet oplossen door te praten. Er worden geen pijlen afgeschoten,
want ik blijf tussen jullie instaan. De eerste pijl is voor mij.’
Zoeff!!
Een pijl
zoeft rakelings langs haar hoofd. Mary wijkt niet. Ze blijft net zo lang praten
tot de woede gekalmeerd is. Die dag wordt er geen oorlog gevoerd.
Ja, een
moedige vrouw met passie voor Jezus, dat was Mary Slessor.
Veel Nigerianen heeft ze het leven gered. Daarom
heeft ze een standbeeld verdiend, hoewel ze zelf zou zeggen: ‘Er is er maar één
die een standbeeld verdient en dat is Jezus!’
En zo is
het ook.