Dit verhaal gaat over de
familie Johnson uit Engeland, vader, moeder en twee jongens. Tijdens een
vakantie in Frankrijk hadden ze zo genoten van de natuur in een bepaald gebied,
dat ze het verlangen kregen er te gaan wonen. En wat ontdekten ze? Er stond een
aardige boerderij te koop met een heel groot stuk grond erbij. Echt net het
paradijs. Aan de rivier, nota bene, zodat de kinderen er konden zwemmen en
varen. Er was bij de boerderij ook een grote notenboomgaard.
Ook de prijs was redelijk
betaalbaar. Maar er was een bezwaar. Waar moesten ze van leven?
De kinderen konden gewoon
naar school, ze moesten alleen goed Frans leren spreken. Maar wat voor beroep
kon de vader uitoefenen? Na enige navraag bleek, dat men best van de opbrengst
van de notenboomgaard zou kunnen leven. Niet zo luxe als in Engeland,
natuurlijk, maar daar stond weer tegenover dat ze in zo’n prachtig paradijs
kwamen te wonen. Ze besloten de stap te wagen.
De eerste tijd verdienden
ze natuurlijk geen cent, daar hadden ze op gerekend. Al hun spaargeld ging op
aan het levensonderhoud. Vader en moeder werkten dag en nacht in de boomgaard.
De bomen snoeien, onkruid wieden, een schuur bouwen. Er was zoveel werk te
doen. Toen de zomer op z’n eind raakte begonnen ze gespannen uit te zien naar
de dag dat ze noten zouden kunnen oogsten.
Ongeveer een maand voordat
de noten rijp waren begonnen er al tamelijk wat van de bomen te vallen. Wat
vreemd! Ze raapten ze op en onderzochten ze. O wee!! In elk zo’n gevallen noot
zat… een kleine witte worm van twee centimeter.
Wat vreselijk, de hele
boomgaard bleek aangetast door een vraatzuchtige notenworm. Wat moest de
familie doen? Ze gingen raad vragen bij andere boeren in de buurt en die
adviseerden hen om Christian in te schakelen, een jongeman uit een volgend
dorp. Die wist hoe hij de wormen moest bestrijden. Het kostte niets, de man
deed het vrijwillig, hoewel het een gevaarlijk werkje was.
Zo gezegd zo gedaan.
Die wormenverdelger,
Christian, bleek een heel aardige jongeman te zijn, die met insecticide en
water alle bomen ging besproeien. Hij vond het gewoon een vriendendienst. Zoals
je weet is insecticide giftig en dus was die klus niet ongevaarlijk. De
boomgaard was erg groot, de bomen hoog en hij werkte en werkte totdat het
allemaal klaar was. Niemand kon hem helpen. Hij moest het helemaal alleen
doen met de tractor.
Nu moet je weten, dat die
mooie notenboomgaard in een heuvelachtig gebied lag en helemaal achterin was
een gedeelte erg steil. Juist toen Christian de laatste boom had besproeid en
wilde keren om naar de boerderij terug te rijden, kiepte de tractor om en
Christian kwam eronder. Hij kon nog wel om hulp roepen, maar niemand hoorde
hem. O, wat deden zijn benen zeer, zijn hoofd en zijn rug! Van de pijn
viel hij flauw! Na een tijdje gingen de boer en de boerin eens kijken waar
Christian eigenlijk bleef. Wat schrokken ze toen ze zagen wat er was gebeurd.
De boer rende gauw naar huis terug om een takelwagen en een ambulance te
bellen.
’s Avonds zat de hele
familie om de eettafel.
‘Pappa, wat is er nou
precies gebeurd,’ vroegen de kinderen.
Vader vertelde van die
lieve Christian, die hun boomgaard had willen redden.
‘Hij ligt in het
ziekenhuis, kinderen. Laten we voor hem bidden, dat hij niet sterft. ‘
Moeder, die de wonden had
gezien, zag erg bleek. Ze vreesde het ergste. Och, hadden ze die jongen nou
maar niet te hulp geroepen! Maar ja, die notenworm moest bestreden worden.
Die nare beesten. Moest
daar nou iemand voor sterven? Wat een verdrietig einde van de dag. Iedereen
was er stil van. Vader belde regelmatig naar het ziekenhuis om te vragen hoe
het met Christian ging…
En waren de nog niet
gevallen noten wel door dit besproeien gered?
Nee, want de worm was
gewoon door blijven eten. Een maand later, toen ze alle noten geoogst hadden en
in de notenfabriek gebracht, bleek, dat ze maar 600 euro ervoor kregen. Veel te
weinig om van te leven.
De maanden gingen voorbij.
Ze hoorden dat Christian was overgebracht naar een ziekenhuis in de stad om te
revalideren. Hij leefde dus nog. Zo af en toe stuurden ze hem een kaart.
Het leven op de boerderij
ging door. De kinderen gingen naar school. Moeder ging groenten en aardappelen
verbouwen in de tuin. Ze kocht een paar kippen, zodat er elke dag een eitje op
tafel kwam. En vader? Hij vertrok weer naar Engeland om in de computerbusiness
te gaan werken om geld te verdienen voor hun gezin. Alleen in de vakanties kwam
hij naar huis. Jammer van hun mooie droom.
Maar na elke winter komt
er toch weer een lente. De notenbomen gingen uitlopen, er zat veel bloesem in.
Het werd een hete zomer en dan kwam de herfst.
‘Zouden er weer wormen in
de noten zitten?’ vroegen de Johnsons zich af.
Ze dachten terug aan het jaar ervoor, aan Christian, die zo
ernstig gewond was geraakt. Leefde hij nog of was hij dood? Ze hadden al een
tijd niks meer van hem gehoord.
Toen vader met verlof
thuis kwam was zijn eerste gang naar de boomgaard. Hij plukte een paar noten af
en… keek en keek… Het zag er goed uit. Geen worm te zien.
‘Moeder, ‘ riep hij,
‘volgens mij is de boomgaard gered!’
‘’Niet te vroeg juichen,
man’ zei moeder. ‘Laten we eerst maar eens afwachten tot de fabriek ons
uitsluitsel geeft.’
Met de tractor haalden ze
van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de oogst binnen. En wat bleek? De noten
waren goed! Ze kregen van de notenfabriek veel geld, genoeg om een jaar van te
leven. Wat een feest!
En wie zat er bij
thuiskomst op hen te wachten? Christian. Hij was weer helemaal opgeknapt. De
kinderen vielen hem om z’n nek en moeder bakte meteen een appeltaartje voor
hem.
‘Christian, Christian,’
klonk het maar steeds. ‘Hoe gaat het met je’
Vader ging met hem de
boomgaard bekijken en vertelde over de goede oogst.
‘Dat we hier mogen blijven
wonen, jongen,’ zei hij ontroerd, dat hebben we aan jou te danken. Nu hoef ik
ook niet meer naar Engeland terug. Ik kan hier blijven. Hier is leven en
overvloed!’
‘Nou heb ik ook nog een
geweldig nieuwtje,’ zei moeder toen ze even later de woonkamer weer
binnenstapten, ‘kinderen, kom er eens bij. Ik moet wat vertellen. Zonet belde
de burgemeester, dat we toestemming hebben om bij de rivier een camping te
beginnen, zodat ook anderen van dit paradijs kunnen genieten. En er komt een
prachtig zwembad. Hoe vinden jullie dat?’
Vader had tranen in zijn
ogen. ‘Ik vind, dat Chris dan maar bij ons moet komen wonen, om ons bij
alles te helpen’ zei hij. ‘Wil je dat?’
‘Jaja! Christian,
Christian,’ riepen de kinderen en sprongen allebei tegelijk op zijn nek.
‘Voorzichtig, kinderen!’
waarschuwde moeder.
Maar Christian lachte:
‘Laat ze maar, mevrouw Johnson, ik ben sterker dan ooit!’
Wat was de familie Johnson
blij.
Met de hulp van God gingen
ze een schitterende toekomst tegemoet.