Mijn hondje Bobby (Oma vertelt)

 

Toen ik een meisje van een jaar of elf was, woonde ik met twee jongere zusjes en m'n moeder in een benedenhuis in het noorden van Rotterdam.

Onder ons huis was een kelder, met een kamertje, een washok, een kolenhok en een grote lege ruimte waar je de fietsen kon bewaren of andere dingen. In die kelder was mijn grote schat: een kleine, bruingevlekte hond van een vuilnisbakkenras. Ze kon daar lekker rondlopen, had een mand met wat gore lappen om in te slapen en als er wat eten over was ging ik haar dat brengen.

Bobby noemde ik die hond. Volgens mij was zij enkel en alleen van mij. Ik kroelde vaak met haar. Ze voelde zacht en lief aan en likte over m'n snoet. Als ik eraan kwam, begon zij al te janken en tegen mij op te springen. Ja, ik was echt gek op haar.

Een tijdje hadden we ook een witte terriër, maar die trok me niet zo aan. Hij voelde zo hard aan. Zijn poten deden je zeer als hij tegen je opsprong. Het was ook een echte uitgaander. Hij ging er soms dagenlang vandoor om vies en doorgezakt weer terug te komen. Waarschijnlijk kwam dat omdat het een mannetje was.

 

Zoals het in elk gezin wel voorkomt, maakten mijn zusjes en ik wel eens ruzie. Er brak wel eens een bord of een kopje. We verschilden wel eens grondig van mening. En dan werden we gestraft. Meestal kreeg ik als oudste de schuld. Althans zo voelde ik het. Soms kreeg ik zelfs wel klappen.

'Jij moet wijzer zijn.' zei moeder dan streng, 'Jij bent de oudste!'

Huilend van onmacht ging ik dan naar de kelder.

'Het is echt gemeen!' riep ik, niet al te hard, want dan kreeg ik nog meer klappen.

Ik liep de keldertrap af en ja, daar was Bobby! Wat was ze blij me te zien. Ik sloeg mijn armen om haar warme lijfje en snikte zacht:

'Lieve Bobby. Jij snapt mij wel, hè? Jij weet wel dat ik het niet gedaan heb.'

Bobby wist niks, maar ze was gewoon mijn beste troostvriendje.

 

In die tijd trouwde mijn moeder opnieuw. Of het nou daardoor kwam weet ik niet, maar op een keer hoorde ik dat mijn hondje wegmoest. M'n hele wereldje stortte in, dat begrijp je.

'Nee!' schreeuwde ik wanhopig. 'Niet Bobby! Ze is zo lief!'

'Niet zeuren.' zei m’n nieuwe pleegvader streng. 'Het moet gewoon.'

Ik zweeg. Maar van binnen werd ik verscheurd van verdriet. Vroeger had je als kind niet veel te vertellen.

 

Op een woensdagmiddag, toen ik uit school kwam, was het zover. Mijn ouders waren Bobby aan het wegbrengen. Ze wilden hem met de veerpont mee over de rivier nemen en haar daar achter laten. Maar Bobby was niet dom. Ze was nog eerder thuis dan mijn ouders. Blij sloot ik haar weer in m'n armen. Toch was de blijdschap maar voor korte duur. Bobby moest weg. Dat stond vast. Toen ik na een paar dagen weer uit school thuiskwam hoorde ik dat ze naar oma was gegaan. De moeder van mijn pleegvader. Gelukkig was dat een lieve vrouw. Ik legde me er maar bij neer. Al miste ik Bobby erg.

Sindsdien kon ik enkel maar uithuilen bij de Heer Jezus. Ik leerde meer met mijn zorgen en belevenissen in gebed tot Hem te gaan. Jezus werd daardoor heel belangrijk voor me. Mijn beste troostvriend.

 

Na een tijdje ging ik oma opzoeken. Ze woonde op zuid. Ik kreeg wat geld voor de tram. M'n ouders konden dat eigenlijk niet zo best missen. Maar voor die ene keer...

Toen ik de deur van oma's huis opendeed... Ja hoor! Daar was Bobby weer. Ze was wat veranderd. Een beetje lelijker geworden. Ze had tepels gekregen. Dat verbaasde me. Maar niet lang, want tot mijn opperste verbazing kwamen daar vier dikke worstjes op poten aangerend. Bobbie had jonkies!

Jankend en snuffelend kwispelden ze met hun achterlijfjes! Wat een schatjes!

Toen was ik pas echt verzoend met het feit dat ze weg was. Bobby had wel wat belangrijkers te doen dan mij te troosten.

Ze moest jonkies grootbrengen!