Zij heeft het gedaan (Oma vertelt)

 

'Lief zijn, hoor!' zei mijn moeder altijd als ze wegging.

'Ja mam,' zeiden wij dan en gaven haar een kus. Wij, dat waren mijn zusjes van vier en zeven en ikzelf, die acht jaar was. Eigenlijk waren we veel te jong om zo vaak en zo lang alleen te zijn, maar het kon niet anders. Mijn vader lag al vijf jaar in een ziekenhuis. We kenden hem al bijna niet meer. En moeder moest hem vaak opzoeken. Zeker tweemaal in de week fietste ze twee uur heen en terug om hem op te zoeken. Bovendien was het oorlog en ze moest vaak ergens naar toe. Bonkaarten halen, bijvoorbeeld. Daarvoor moest je lang in de rij staan. Of 'steun' halen. Zo heette het geld, waarvan we moesten leven. Nu zou je het 'bijstand' noemen. 't Was maar een klein beetje, maar fl. 12,75 per week. Tja en zodoende moest ik vaak oppassen. Ik begreep wel, dat ik bepaalde dingen absoluut niet moest doen.

'Niemand binnenlaten,' waarschuwde moeder mij altijd, 'en niet met het gas of met vuur spelen. En als er wat is, kun je naar tante Riet gaan.'

Tante Riet was een zuster van mijn moeder, die boven ons woonde. Als het nodig was pakte ik een lange stok en tikte daarmee tegen het plafond. Dan kwam tante Riet kijken wat er aan de hand was. Nou was ik in die tijd al een kindje van de Heer Jezus. Ik wist wel wat goed was en verkeerd. Ik bad 's avonds voor het slapen gaan en voor wat ik verkeerd had gedaan vroeg ik vergeving. Toch heb ik toen iets gedaan waar ik nu nog spijt van heb. Ik zal het jullie vertellen. Misschien dat ik het dan eindelijk kan vergeten. Op een keer dat we weer alleen waren, wilde ik melk inschenken maar door een onhandige beweging liet ik de melkkan uit mijn handen glippen. Pats! Kapot. De melk spatte alle kanten heen. Wat is een halve liter melk dan veel, zeg! Geschrokken bonkte ik tegen het plafond om tante Riet te waarschuwen. Maar ik was doodsbang voor een standje en boze woorden. Misschien kreeg ik wel klappen als moeder thuiskwam. Ze was erg streng. Daarom verzon ik snel een leugen.

'Ernaatje heeft het gedaan,' zei ik.

Ja, m'n kleine zusje kon zich toch niet verweren. Het was erg gemeen van me.

Tante ruimde alles voor ons op en moeder was niet boos toen ze thuiskwam. Maar voor mij duurde de schaamte heel lang.

Nog jaren daarna dacht ik eraan dat ik m'n kleine zusje de schuld had gegeven voor wat ik had gedaan.