Er is maar één weg

 

Paul, een leuke blonde jongen van acht, voetbalt graag. Zijn vrienden Frits, Gaston en Johan zijn ook echte voetbalfans. Op een dag gaan ze samen voetballen op het schoolplein. Daar is een blinde muur. Gaston kiept, want in hun club is hij ook keeper. Met die club hebben ze pas een competitie gewonnen. Dat was leuk. Als beloning kregen ze een etentje, patat en ijs. Lekker, hoor! Om beurten schoppen ze de bal naar Gaston. Ah! Zo'n mooie bal, zeg!

 

Je mag op het schoolplein wel voetballen, als je maar uitkijkt voor de ramen. Soms zijn er van die vervelende jongens. Die gooien expres een bal tegen de ruit, net zo lang tot die ruit kapot is. Zo'n ruit kost honderden guldens. Je snapt wel, dat de directeur van boos is.

De jongens hebben veel plezier. Totdat er iets vervelends gebeurt. Frits krijgt de bal verkeerd op zijn voet. Hij schopt erg hard en met een hoge boog vliegt de bal op het dak. Ach, nou is Paul zijn bal kwijt. Verleden week is dat ook al eens gebeurd. Toen heeft Paul moed verzameld en is naar de directeur gegaan. Hij kreeg zijn bal terug. Gelukkig wel.

Maar wat nu? Moet hij voor de tweede keer naar de directeur? Paul durft het niet. En de anderen ook niet. Triest gaan ze naar huis. Het leuke spel is gelijk bedorven.

Moeder merkt dat er wat aan de hand is.

'Wat kijk je bedrukt, Paul?'

Paul vertelt van hun pech.

'Ga maar gewoon naar de directeur,' adviseert moeder. Paul weigert beslist. Hij heeft zijn trots.

Als vader thuiskomt, die leraar is op dezelfde school, gaat hij naar hem toe. Zou pa de bal willen pakken? Nee.

'Over die ballen ga ik niet.' zegt pa, 'Je moet bij de directeur zijn.'

'Maar ik durf niet, pa.'

'Er is maar één weg, jongen.' zegt pa en daarmee is de zaak voor hem afgedaan.

Paul denkt even na. Is er ook een werkster op school? Zou die hem er niet af kunnen halen? Vader wordt het gezeur zat.

'Je weet wat ik gezegd heb, Paul. Als je bal op het dak ligt, moet je bij de directeur zijn.'

Ach, wat heeft die arme Paul het benauwd.

 

Als ze even later allemaal aan tafel zitten, pruttelt Paul nog na over zijn bal.

'Ik kan ook niet langs de regenpijp.' zegt hij. 'Die is te kort.'

'Dat hebben ze expres gedaan,' lacht vader. 'Anders hadden we steeds een lek dak.'

Brenda, het jongere zusje, heeft een idee.

'Is er niet een heel grote trapleer?'

Iedereen lacht.

 

Eén dag lang loopt Paul met een triest gezicht rond.

'Paul,' zegt moeder, 'Zit je nog steeds over je bal te piekeren? Ga toch naar de directeur.'

'Kunt u niet meegaan, mam?'

'Je moet je eigen boontjes leren doppen, kind. Je kunt die bal ook gewoon vergeten en gaan sparen voor een nieuwe.'

Dat had moeder nou niet moeten zeggen.

'Weet u wel hoeveel zo'n leren bal kost?' protesteert Paul luidkeels.

Eindelijk besluit hij dan toch maar om te gaan. Een kwartiertje later komt hij lachend terug. Met bal.

 

Jij en ik doen wel eens dingen die verkeerd zijn. Zonde noemt de Bijbel dat. Dan gaat onze blijdschap weg, net als die bal. Nu kun je nog zo je best doen, maar je blijdschap krijg je alleen maar terug als je naar Jezus gaat. Er is maar één weg.