Avontuur in de nacht

 

'Annemarie! Hé, word eens wakker!'

Voorzichtig schudt Sjors zijn tweelingzus wakker.

'Annemarie! Oom is weggegaan. Ik hoorde de deur dichtslaan toen ik moest plassen en nu...'

'Ach, domme jongen,' moppert zijn zus. 'Dat weet je toch! Vannacht zou er een schaap jonkies krijgen en daar moest hij bij zijn. Ga nou maar slapen. Er is niks aan de hand. En bovendien... De Heer Jezus is toch altijd bij ons. Dat hebben mamma en pappa ons geleerd.'

Annemarie is rechtop gaan zitten en veegt met haar hand haar losse haren uit het gezicht.

Ze stelt haar broer gerust met: 'Morgen mogen we de lammetjes zien. Leuk, hè?'

'Mmm...' bromt Sjors. 'Waarom lammert Bertha nou juist in de nacht?'

'Als het komt, komt het!' zegt Annemarie eigenwijs, terwijl ze zich weer lekker onder de dekens nestelt.

 

Ja, de tweeling Van der Wijs, uit de grote stad Rotterdam, logeren een weekje bij oom Herbert in Drente.

Oom Herbert is schaapherder, een wat zeldzaam beroep in Nederland. Hij woont helemaal alleen in een oud huisje aan de bosrand. Het is heel leuk om met oom over de heide te dwalen en naar zijn verhalen te luisteren.

Oom is erg gesteld op zijn schapen. Hij heeft ze allemaal een eigen naam gegeven. En als hij ze roept, komen ze vrolijk aangehuppeld om een aai over hun kop te krijgen.

 

Maar nu het nacht is en ze alleen zijn, vindt Sjors het maar doodeng om in een onbekend huis te zijn. Hij denkt er niet over om te gaan slapen.

In een laag stoeltje naast het raam met zijn ellebogen op de vensterbank gezeten, tuurt hij de donkere nacht in. Uit de grote stal rechts, straalt wat licht door de kleine raampjes naar buiten. Als je goed luistert, kun je af en toe het gemekker van de schapen horen.

 

Plotseling komt er met gedimd licht een vrachtauto links de B-weg opdraaien. Hij stopt naast het weiland van oom Herbert. Sjors kijkt ernaar.

'Annemarie!' fluistert hij dan zenuwachtig, 'O, Annemarie! Daar is... daar zijn dieven. Wat moeten we doen?'

Met een schok vliegt Annemarie, die al weer is ingedommeld, overeind.

'Dieven? Doe niet zo gek! Waar dan?'

Samen turen ze naar buiten. En ja. Er zijn twee mannen uit de vrachtwagen gesprongen. Een doet de klep open en legt een soort loopplank uit en de ander rommelt aan het ijzeren hek op de dam.

'Veedieven!' jammert Sjors zacht.

Ja, nu is Annemarie ook niet meer zo zeker van zichzelf. Ze knijpt in zijn arm en fluistert: 'Stil. Als ze ons horen!'

 

In de schuur is het warm, benauwd zelfs. Oom Herbert staat met zijn grove knuisten om de houten omheining naar het schaap Bertha te kijken. Haar flanken bewegen onrustig.

'Vooruit, meid!' bromt oom Herbert, 'Dadelijk ben je moeder van een paar mooie lammeren. Toe maar...'

Ineens wordt de staldeur opengegooid en twee doodsbange kinderen komen binnengerend.

'Oom, hh... Herbert... Er zijn... dieven. Kijk, daar!'

Met een blik uit het venster heeft de herder de situatie overzien.

Veedieven in zijn weiland?

Vlug werken zijn hersens een plan uit.

'Ga naar huis.' fluistert oom, 'Doe de knip op de deur en doe pas weer open als ik kom. Bel de politie en laat ze zo snel mogelijk naar de oprit op de Beverdijk komen. Ik ga binnendoor en snijdt die dieven het pad af.'

Met bonzend hart sluipen de kinderen de duisternis weer in, terwijl oom Herbert rechts het paadje tussen de struiken induikt. Och. Wie zal Bertha nu helpen met het krijgen van haar lammeren?

 

Au! Oei! Voorzichtig, een kuil. Wat is het moeilijk voor de herder om door de bosjes heen te komen zonder zich te bezeren. Vooral die braamstruiken zijn zo gemeen. Ze blijven aan je kleren haken en slaan weer terug in je gezicht. Het duurt niet lang of hij voelt overal schrammen en wondjes.

Met grote lenige stappen, links en rechts uitwijkend baant hij zich een pad naar boven. Hijgend en bezweet, maar precies op tijd, staat oom Herbert bij de oprit. In de verte ziet hij de gedimde koplampen van de dievenwagen al oplichten.

Snel verbergt hij zich achter een boom.

Zodra de vrachtauto hem voorbij is en bij de hoek afremt, springt hij achterop, wat levensgevaarlijk is. Hij trekt zich omhoog aan het rek en duikelt buiten adem achter in de bak bij zijn schapen, die hem direct besnuffelen en herkennen.

'Maaike en Bep!' fluistert de herder blij. 'Hier ben ik om jullie te redden.'

 

In de cabine praten de dieven luidruchtig met elkaar. De radio staat aan. Ze hebben niks gemerkt. Plotseling ziet de bijrijder een politieauto boven aan de dijk.

'Daar!' roept hij schor, 'Politie! Doe je lichten uit! Zet de wagen hier aan de kant. Misschien hebben ze ons niet in de gaten. Ik smijt de beesten uit de bak. Mij te link!'

Met een lenige sprong, onhoorbaar door zijn sportschoenen, komt hij in het gras terecht.

Net wil hij de achterklep neerlaten als...

Wams! Daar springt de herder op zijn nek.

'Zo, daar heb ik je, vuile dief! Dierenbeul!' hijgt hij. 'Ik zal je afleren om mijn Maaike en Bep te stelen.'

'Stop! Politie!' klinkt het bars en dan staan de twee vechtersbazen in het felle licht van de koplampen.

De dieven worden opgepakt en de vrachtwagen in beslag genomen. Die was ook al gestolen, nota bene!

 

Wat een opluchting voor Annemarie en Sjors als oom Herbert na niet al te lange tijd weer voor de deur staat. Ze zijn toch wel zenuwachtig geweest ook al hadden ze samen gebeden.

Natuurlijk duiken ze nu direct de stal in om te zien hoe Bertha het maakt.

En... ja hoor! Bertha heeft twee lammeren geworpen. Ze zijn nog helemaal vies en nat en kunnen nog niet op eigen pootjes staan. Vol verbazing staan de kinderen ernaar te kijken. Terwijl oom Herbert ze een voor een op hun kop houdt en het slijm van hun kopjes veegt, zegt hij: 'Jullie mogen ze een naam geven.'

 

Wat leuk! Annemarie noemt haar lam Beertje, maar Sjors zegt vol trots: 'Mijnes noem ik Herbert, want er is geen betere herder dan u, oom!'

Daar is Annemarie het helemaal mee eens. Maar oom Herbert antwoordt ernstig.

'De allerbeste herder? Nee, dat is toch Jezus. Hij gaf zelfs zijn leven voor ons mensen.'