Kippenvoer van God

 

‘Toktoktok! Tóóóktoktok!’

Kleine bruine Jason zit op zijn hurken op het vuile erf van een huisje in Paramaribo met een stuk brood in zijn handen.

‘Toktoktok!’ lokt hij.

Vanachter een omgevallen metalen drum, komen meteen twee magere bruine kippen tevoorschijn rennen, Nanga en Glori, Jasons eigen kippen. Hij is toch zo blij met die scharminkels. Ja, zo moet je ze wel noemen want er zit geen spiertje vet aan hun lijven.

‘Toktoktok!’ zegt Jason weer. Hij geeft hun zijn korstje brood. Met verwoede ijver beginnen Naga en Glori te pikken. In no time is het eten op. Jason aait ze over hun dunne kippennekjes en hun bottige ruggen.

'Arme beesten,' zucht hij, 'Jullie moeten voer hebben, maar dat heeft Jason niet.'

De kippen pikken ongeduldig in zijn hand en versleten bloes. Jason gaat staan en laat zijn gedachten voor de zoveelste keer over de situatie gaan. Wat kan hij bedenken om aan voer te komen.

'Mamma!'

Jasons moeder hoort haar zoontje al aan de andere kant van het huis roepen. Ze zit op haar hurken een pan te schuren met een zwartgeworden pannenspons, haar gezicht glimmend van het zweet.

'Mamma, ik heb helemaal geen kippenvoer meer. Weet u niet een oplossing? Kunnen we niet wat gaan kopen, mamma?'

De moeder van Japon stopt even met schuren en bekijkt haar zwartgeworden vingers.

“Echt niet, Jason. Wij hebben geen geld. Maar... Waarom ga jij er niet voor bidden? Jij weet: 'Mi kan doe ala sana in Hem gi mi krakti. (Ik vermag alle dingen in Hem die mij kracht geeft.' De Heer Jezus houdt ook van kipjes.”

Haar warme stem met de dikke w en de rollende r overtuigen de jongen en blij holt hij weg.

 

Wie zit daar helemaal in elkaar gedoken, op zijn knieën tussen de kipjes in het kippenhok? Het is Jason.

'Lieve Heer Jezus,' bidt hij, 'Mamma zegt dat u ook van dieren houdt. Wilt U mij dan kippenvoer geven, anders gaan Nanga en Glori dood. Amen.'

Helemaal vies en vuil kruipt de jongen het kippenhok weer uit.

 

Broem, broem!

Het is de volgende dag. Over de weg vol kuilen en gaten komt een grote vrachtwagen aanrijden. Hij heeft kennelijk moeite de helling te nemen. Voor het huis van Jason stopt de wagen en de chauffeur, een magere Surinamer, stapt uit. Hij bekijkt zijn lading met een kritische blik. Zie je wel, net wat hij dacht. Een grote zak kippenvoer is kapotgegaan. Door een flink gat in de zak stroomt er een klein, maar constant stroompje voer naar buiten. Hč, wat vervelend! De chauffeur probeert de zak wat te verzetten, maar het helpt niet. Dan neemt hij resoluut een besluit. Voor de verbaasde ogen van Jason en zijn vriendjes, pakt de chauffeur de zak van de wagen en zet hem zomaar bij hen op het erf.

'Hier,' zegt hij, 'Heb je daar wat aan? Als ik doorrijd, loopt hij toch maar leeg.'

 

Wat zijn Jason en zijn moeder blij. De Heer Jezus verhoorde hun gebed. Ze hebben voor een jaar kippenvoer gekregen.