Een wonderlijk zaadje
Er was eens
een arme joodse man, die maar geen werk kon vinden om geld te verdienen voor
zijn gezin. Op een dag loopt hij over de markt en steelt een brood. Hij
had nog nooit iets gepikt en door zijn onhandigheid wordt hij betrapt. Toendertijd
stond er in dat land de doodstraf op diefstal. De arme man wordt voorgeleid
voor de koning en veroordeeld tot de galg.
Nu was de man, behalve een dief, ook een verhalenverteller. Hij vroeg
dus het woord en zei: Het is rechtvaardig dat ik moet sterven, maar het is
jammer, dat mijn geheim dan met mij in het graf zal gaan.
De koning werd nieuwsgierig en vroeg wat dat geheim dan wel was. De man
antwoordde: Ik heb een paar heel speciale granaatappelzaadjes, die, als ik ze
in de avond plant, de volgende dag al een volgroeide boom met vruchten eraan
geven. Nou, dacht de koning, ik kan hem ook morgen nog ter dood brengen, ik wil
wel eens zien wat er van dat verhaal waar is. Hij stuurde hem naar huis met een
stelletje bewakers om de zaadjes te halen. Toen hij terug kwam haalde de man
een paar kleine zaadjes uit een zakje en aarzelde: Er is wel een probleem, zei
hij, dit zaad moet geplant worden door iemand die nog nooit heeft
gestolen. Ik kan ze dus zelf niet planten, wil één van u dit voor me doen?
Een van de
soldaten knikte en begon een gat in de grond te graven. Het zaadje werd
keurig in het gat gelegd en bedekt met een laag grond. Wat zou er gaan
gebeuren?
De volgende
ochtend vroeg waren er al een heleboel mensen verzameld om de plaats waar het
zaadje was geplant. Ze wilden die wonderboom wel eens zien. Helaas, er was geen
boom, zelfs geen groen sprietje. Ze haalden de veroordeelde naar buiten om hem
te confronteren met zijn bedrog.
De man trok
een verbaasd gezicht, wroette wat in de grond en zei tegen de koning: Ik snap
er niks van. Wat zou er fout gegaan zijn? Zou u eens willen vragen of de
soldaat die het zaadje plantte wel echt nooit in zijn leven heeft gestolen?
Wat een
afgang voor de soldaat. Hij moest tot zijn schande bekennen, dat hij de week
ervoor een paar flessen bier had gestolen uit een café.
Dat verklaart
alles, riep de veroordeelde man. Kan misschien iemand anders het zaadje
planten? Dan kunnen we morgen allemaal naar de wonderboom kijken. De koning
wees ongeduldig een andere soldaat aan, maar die verontschuldigde zich met te
zeggen dat hij ook wel eens het een en ander had gestolen in zijn leven.
Dan moet jij het maar doen, baste de koning tegen de schatbewaarder, die de
sleutel beheerde van al zijn heerlijkheden. Zijn onderdaan verschoot van kleur
en antwoordde: Majesteit, laat me dan eerst even gaan kijken of er per ongeluk
geen pareltje uit de koninklijke schatkist is gevallen. U begrijpt, dat
een ongelukje in een klein hoekje ligt. Hij schuifelde achteruit om de gouden
munten, die hij in zijn zak had gestoken, terug te leggen.
Waarom doet u het zelf niet, vroeg de veroordeelde aan de koning.
De koning
begreep wel, dat het lang zou duren, voor er iemand was gevonden die nooit had
gestolen. Hij ging dus zelf maar aan de slag.
Ik weet zeker
dat iemand die koning is, zoals u nooit iets heeft hoeven te stelen, lachte de
veroordeelde.
Er ging een schok door de koning heen. Ineens herinnerde hij zich, dat hij als
kind de glimmende broche van het kamermeisje had gestolen.
Och, wat
vreselijk! riep de veroordeelde, u ook al? Nou, het is toch wel idioot, dat
iedereen wel eens iets heeft gestolen en ik word veroordeeld voor het stelen
van een brood voor mijn kinderen!! 't Is toch triest, dat niemand nou ooit die
wonderboom zal zien groeien. Nou ja, ga uw gang maar en executeer me maar.
De koning begreep waar het om ging en besloot: Je hebt gelijk. Ik trek het vonnis in. Ga naar huis, maar steel niet meer