Een beetje los

 

In een roeiboot bij de Westerkade zitten twee jongens, Joris en Bram. Joris schept met zijn hand een beetje water op en gooit het plagend naar Bram. Die wiebelt heen en weer om de boot te laten schommelen. Ze wachten op hun vader. Hè, waar blijft hij nou? Hij zou toch zo terugkomen.

'Jongens, had hij gezegd, 'Ik moet nog even naar de havenmeester. Nergens aanzitten. Straks gaan we varen en dan leer ik jullie roeien. '

Joris en Bram hadden het prachtig gevonden, leren roeien in vaders splinternieuwe roeiboot.

'Zullen we hem vast losmaken?' stelde Bram voor, 'dan kan pa er dadelijk zo inspringen. Des te eerder varen we.'

Je kunt wel merken, dat de jongens niets van boten afweten.

Bram springt aan de wal, maakt het touw los van de bolder en springt met een aanloopje weer in de boot. O, wat stom. De boot drijft steeds verder van de kant. Ze proberen nog om het touw weer om de bolder te gooien, maar... tevergeefs.

De roeiboot drijft naar lager wal, zoals dat heet.

 

Daar komt vader aanlopen. Heel in de verte ziet hij zijn boot met de jongens erin, schreeuwend van angst. En ze kunnen nog niet zo best zwemmen.

Vader gooit zijn jasje uit en... plons! Daar zwemt hij al met kleren en al om de bengels te redden.

 

Zo'n fout als de jongens maakten, maakten Adam en Eva ook. De wereld dreef van God af. Maar gelukkig heeft Jezus ons gered. Met Hem aan boord zijn we veilig.