De gepoetste laarzen
'He, toe, oom Andries, vertel nog eens een verhaal van
vroeger.' bedelt Timo. Zijn zusje Mirjam staat er vragend bij met de duim in de
mond. Oom Andries, de liefste oom die ze hadden kwam zo af en toe logeren. Hij
had dan altijd de mooiste verhalen te vertellen. Oom lacht maar eens.
'Nou goed,' zegt hij dan. 'Kom maar hier naast me zitten
op de bank.' De kinderen nestelen zich meteen tegen hem aan en hij begint: 'Het
is al een hele tijd geleden dat ik in militaire dienst was. Ik lag in Den
Bosch.'
'Waarom lag u?' vraagt Mirjam verbaasd.
'Stil, Mirjam,' vermaant haar broer haar. 'Dat heet zo.'
'Eh, ja.' gaat oom Andries verder. 'Nou en op mijn
slaapzaal was die ene vreemde soldaat. Joost heette hij. Dat weet ik zo goed,
want...' Oom Andries klopt even op z'n jasje en voelt binnen in z'n borstzak.
Er komt een ansichtkaart te voorschijn. 'Kijk, die kreeg ik verleden week nog
van hem. Joost is al erg lang een vriend van mij. Een vriend?... Nee, meer een
soort broer. Luister maar.
Elke avond als ik op m'n slaapzaal kwam, lag Joost daar
voor z'n bed op z'n knieën. Eerst vroeg ik me af wat hij daar toch deed, tot ik
begreep dat hij lag te bidden. Ik begon hem ermee te plagen. De grappen werden
steeds gemener. Joost trok er zich niks van aan. Hij ging gewoon door met
bidden. Op een keer werd ik woedend. Zonder te weten waarom trok ik m'n laars
uit en smeet die naar Joost. De klap kwam hard aan, heel hard zelfs. Met een
kreet sprong Joost op. Uit een wond op z'n hoofd liep bloed. Wat er die avond
met mij aan de hand was weet ik niet. In plaats van spijt te voelen werd mijn
haat nog groter. 'Net goed, die vrome Piet,' dacht ik. Lachend dook ik onder de
dekens en slaagde er zelfs nog in om te gaan slapen.
Oom Andries stopt even. Hij denkt na. Het is alsof hij
alles weer beleeft.
'En toen, oom? Hoe ging het verder?' vraagt Timo. 'Die
volgende morgen, kinderen. Ik zal het nooit vergeten. Toen ik m'n laarzen wilde
pakken, herinnerde ik me het voorval van de vorige avond. M'n ene laars had ik
weggegooid. Die zou ik moeten opzoeken. Tot m'n grote verbazing stonden de twee
laarzen netjes naast elkaar en... keurig gepoetst. Weten jullie wie dat had
gedaan?'
'Joost'' roepen de kinderen bijna tegelijk.
'Precies. In plaats van wraak te nemen had Joost mij
juist goedgedaan. Van die dag af ben ik z'n beste vriend geworden. Natuurlijk
heb ik eerst vergeving gevraagd voor die gemene daad. Maar ik heb ook gevraagd:
'Joost, vertel me over God.''
'En nu gelooft u zelf ook in Jezus, hè oom?' vraagt
Timo.
'Nou en of!' klinkt het blije antwoord. 'Dat is het
grootste geluk dat ik heb gevonden. Daardoor is Joost nu ook eigenlijk een
beetje mijn broer, snap je?'
De kinderen knikken. Ze weten al lang dat je bij Gods
familie hoort als je in de Heer Jezus gelooft. Een kwartiertje later als ze
alletwee lekker in hun bed liggen, komt moeder hen nog een nachtkusje geven.
'Hebben jullie je
avondgebedje wel opgezegd?' vraagt ze. Natuurlijk hebben ze dat. Zeker na dat
mooie verhaal van oom Andries.