Stelen uit moeders portemonnee
(Een
verhaal van oma)
Op een dag toen ik nog maar een meisje was van negen
jaar, zag ik op de hoek van de tafel, op het pluchen tafelkleed moeders
portemonnee liggen. Dat was een belangrijk ding in huis. Het was oorlog. Vader
die ziek was, lag al jaren in het ziekenhuis en al wat moeder kreeg was twaalf
gulden en vijfenzeventig cent steun. Zo heette dat vroeger. Nu noem je steun:
bijstand. Zo'n klein beetje geld om de huur van te betalen met drie kleine
kinderen, was ook voor die tijd erg weinig. Moeder probeerde dan ook altijd wat
bij te verdienen met naaien, maar eigenlijk was dat verboden.
'Kijk wat er in die portemonnee zit,' fluisterde een
lelijk stemmetje binnen in me. 'Schiet op! Dadelijk komt moeder binnen.'
Ik graaide de portemonnee weg en keek... Was het maar
bij kijken gebleven. Maar toen ik die gulden zag zitten was ik verkocht. Ik
stak het geld in mijn zak en legde de portemonnee weer precies zoals hij eerst
lag.
In een kantoorboekhandel op de Bergweg kocht ik een
opschrijfboekje. Het had mooie gladde blaadjes en ik zou er vast veel op kunnen
schrijven.
'Waar heb je dat vandaan?' vroeg moeder toen ze mij
ermee zag lopen. Had ze niet gemerkt dat er geld weg was uit haar beurs?
'O, dat!' deed ik onverschillig, 'Dat heb ik gevonden
langs de straat, in de goot.'
's Avonds voor we gingen slapen zongen we altijd. Mijn
twee zusjes en ik. We zongen onszelf in slaap, diep weggezakt in onze veren
bedden, onder de dekens... Het waren liedjes van God. Het gaf zo'n heerlijk
veilig gevoel. Het laatste liedje was altijd het bekende avondgebedje: 'Here,
houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht.'
'Nu kun je niet meer bidden.' zei ik tegen mijzelf toen
ik de avond na het stelen in bed lag.
'Je weet toch wel, dat de Here niet luistert als je
zonden hebt gedaan? Die moet je belijden.'
Nee, zeg! Dat nooit! Ik, het brave meisje, dat zo graag
complimentjes kreeg, zou daar aan de mensen gaan vertellen dat ik een dief was?
Dan maar niet bidden. Zonder zou het ook wel gaan.
Het bleef niet bij die ene keer stelen. Eigenlijk ging
het steeds gemakkelijker. Ik wist altijd wel ergens geld te vinden. Een los
kwartje uit moeders jaszak. Een achteloos neergelegd dubbeltje op de
schoorsteen. Het werd een gewoonte om alles na te snuffelen als ik alleen was. En dat was ik erg vaak.
Maar 's avonds was het zo leeg. Het contact met de Heer was weg.
'Kom op!' dacht ik bij mezelf. 'Nu ben je groot genoeg.
God bestaat immers niet.'
Ja, ik snapte heel goed dat er maar twee mogelijkheden
waren. Naar mamma gaan en alles vertellen of zonder God leven. Tenslotte hield
ik het niet langer meer uit. HET LEVEN ZONDER JEZUS WAS ERG NAAR. Op een avond
kon ik weer niet in slaap komen.
Ik raapte dus al mijn moed bij elkaar en ging naar mamma
toe. Ze zat achter haar handnaaimachine. Rrrrt, rrrt! klonk het.
'Wat kom je doen?' vroeg ze tamelijk kortaf. Ze was een
beetje boos dat ik uit bed was gekomen.
'Ik heb gestolen, mam...'
'Hoeveel?'
'Een gulden..'
Het was veel meer, maar dat durfde ik echt niet te zeggen.
'Niet meer doen, hoor! Ga maar gauw slapen.' zei moeder.
't Was kort, maar genoeg. Aan de Heer Jezus kon ik nu
wel de rest vertellen. Met dansende voeten liep ik weer naar mijn bed terug.
Wat een opluchting.
En heb ik nu verder nooit meer gestolen? Toch wel, maar
het ging steeds beter. En nu ik al een grijze oma ben, weet ik dat de Heer
Jezus ook van kleine diefjes kinderen van God kan maken.