Denk eraan, m'n kind

 

'Vroeger waren we erg arm,' vertelde eens een oude man.

'Moeder en vader moesten veel monden te eten geven. Moeder werkte dan ook op een klein stukje land om wat aardappelen en groenten te verbouwen. Ze deed ook nog voor een paar rijke gezinnen de was. En vader, die arme man, stond per dag twaalf uur achter een gevaarlijke machine in de stoffige fabriek. Daarvoor kreeg hij maar een klein loon uitbetaald. Maar ze hadden de Heer Jezus erg lief. Daardoor hadden we toch een fijne jeugd.

Op een dag kwam er in ons stadje een kermis. Allerlei aanlokkelijke attracties werden voor de ogen van de nieuwsgierige kinderen in elkaar gezet. Ik droomde ervan om in zo'n groot rad met stoeltjes naar boven te worden getild en dan de stad aan mijn voeten te zien lig­gen. Of gillend door de bocht te gaan van de draaimolen.

'Pa,' vroeg ik dan ook 's avonds aan mijn vader, 'Krijg ik geld voor de kermis. Alstublieft!'

Eerst zijn m'n vader kortaf nee. Geen denken aan. Ze moesten elk dubbeltje omkeren en dan zouden ze daar hun goeie geld aan een kermis uitgeven. Maar ik gaf niet op. Ik zeurde bij het leven.

Vader, die natuurlijk aan zijn eigen jeugd dacht, begreep wel dat ik zo graag wilde. Die goeie man werd niet eens boos op me. Hij haalde z'n schouders op en liep naar de keuken. Op een plankje stond een oud roestig blikje met wat opgespaard geld.

'Kom eens bij me.' zei hij, terwijl hij op een stoel ging zitten. Hij legde een zilveren gulden in mijn open hand, maar.­.. sloot zijn eigen hand om mijn hand heen.

'Kind, er is één ding dat je me moet beloven. Als je deze gulden uitgeeft, denk er dan aan dat ik heel lang en hard heb moeten werken om deze gulden te verdienen. Denk eraan, dat je een stukje van pappa's gezondheid uitgeeft.'

Ik beloofde het met een rode kleur. Hoewel... De gulden brandde in mijn handen. De kermis leek ineens niet zo aantrekkelijk meer.

'Nee, pappa,' zei ik dus maar gauw. 'Doe hem maar weer in het potje, hoor! Ik ga wel gewoon kijken.'

Sinds dat voorval ga ik altijd zuinig met m'n geld om. Er is voor gewerkt. En die zilveren gulden? Die heb ik nog steeds. Ik mocht hem toch houden van vader. Zie je, daar aan de muur, daar hangt hij, ingelijst, om er altijd aan te denken zuinig met de dingen om te gaan. Er is iemand die ervoor gewerkt heeft.'