Bloem hoort van Jezus
Met een schok wordt Bloem wakker. Wat was dat voor een
harde knal? Haar hart bonst wild. Angstig kijkt ze haar armoedige kamertje
rond. Alles lijkt oké. De gescheurde platen van de popsterren en motoren aan de
muur, haar boekenplankje met de slordig neergesmeten stripboeken... haar tafeltje, dat zo wiebelt als je eraan
wilt gaan zitten tekenen en de stoel met de versleten geelgroene zitting.
Toch was er die knal daarnet.
Een beetje rustiger geworden nu, slaat Bloem haar dekbed
opzij. Ze zal er maar uitkomen. De hele dag in bed liggen stinken zoals haar
grotere broer Carl, nee, daar houdt ze niet van. 't Is zaterdag. Vandaag hoeft
Bloem niet naar school. Moeder ligt nog vast te slapen.
Aan de sigarettenpeuken, de lege bierflessen en de
oudbakken chips te zien is het gisteravond laat geworden. Nee, moeder kan ze
beter de eerste uren niet storen, die is niet te genaken na zo'n avond. Die
knal... van wie zou die toch geweest zijn? Met een dubbelgeslagen boterham met
pindakaas op een bordje op schoot en een glas Cola binnen handbereik gaat Bloem
voor de tv zitten. Even flitst ze van het ene kanaal naar het andere tot haar
favoriete programma gevonden is. Ruimteschepen en enige buitenaardse
monsters... spanning... gevaar... Bloem laat een diepe zucht als het afgelopen
is. Wat zal ze nu gaan doen? Een ander programma opzetten? Nee, de zon schijnt.
Al haar spieren vragen om actie, hollen, bewegen. Wie weet komt Krien, haar
vriendin wel buiten spelen... Bloem spurt de kale, vuile trap af naar beneden.
Ze hebben eerst samen gebeden, de kleine groep gelovigen
van de Oosterkerk. Ze hebben aan de Here God gevraagd om hen te leiden naar de
juiste mensen. Och, er zijn nog zoveel mensen die de Heer Jezus nog niet
kennen. Daarom willen ze er nu op uittrekken met elkaar. Als een vrolijke
uitgelaten groep trekken ze langs de singel en door de straten van de grote
stad, hun spandoek opgerold. Als ze het straks openrollen kan iedereen lezen
wat erop staat. 'God verandert mensen!' in zwarte viltstiftletters.
Carolien draagt een houten bord, vastgetimmerd aan een
stok. Ze heeft er een mooie plaat van Jezus aan het kruis opgeplakt en eronder
geschilderd: 'Omdat Hij zoveel van u houdt.' Dadelijk bij het winkelcentrum
zullen ze met elkaar gaan zingen in een kring en aan wie het maar horen wil de
Blijde Boodschap van de Heer Jezus vertellen. 'Straatevangelisatie,' noem je
dat.
Plotseling komen er uit één van de nieuwbouwflats
twee meisjes aangehold. Ze kijken
nieuwsgierig naar het bord. Carolien lacht naar ze.
'Wat is dat?' vraagt één van de meisjes. Carolien stopt
even en tante Kok, die naast haar loopt stopt ook.
'Dat is Jezus,' wijst ze. In het kort vertelt ze wat de
Heiland voor ons heeft gedaan. De meisjes knikken, maar of ze het echt begrijpen?
In ieder geval lopen ze met de stoet mee en blijven erbij staan tijdens het
zingen en het vertellen.
'Aardige vrouw,' denkt Bloem, want zij is het, die samen
met Krien staat te luisteren naar het verhaal van tante Kok. 'Zoals ze vertelt!
't Gaat over een zekere meneer Saggeüs of zo. Die had een rotleven, zeg!
Iedereen pestte hem omdat ie zo klein was! Maar Jezus wou toch in z'n huis. Nou
vraag ik je!... Ho! Wat zegt ze nou? Die Jezus wil ook in haar huis wonen? Kom
nou effe! Echt? Nou dan mocht ze wel gauw de bank leegmaken. D'r lag allemaal
troep op.'
Verbaasd en nieuwsgierig luistert ze verder. Krien stoot
haar aan als het verhaal uit is.
'Kom op, joh! 'k Mot nog voor me moeder naar de Hema.'
Maar Bloem wil nog meer horen.
'Omdat Hij leeft, ben ik niet bang voor morgen,' zingt
de groep. 't Leuke wijsje danst door haar hoofd. 't Blijft hangen ook... als
zo'n deuntje voor de radio. Het zingen en spreken op straat is weer afgelopen.
Carolien, tante Kok en de anderen gaan naar huis.
'Morgen om tien uur begint de kerk,' hadden ze nog tegen
de mensen gezegd. 'U bent dan hartelijk welkom. Voor de kinderen is er een
kinderdienst.'
Bloem en Krien krijgen elk een ansichtkaart met een
uitnodiging erop.
Thuisgekomen vindt Bloem haar moeder in tranen. Carl,
haar broer, is met grote ruzie het huis uitgelopen. Daardoor is moeder nu
helemaal van streek. Bloem gaat maar gauw een lekker bakkie koffie voor haar
zetten.
'Niet huile, mam,' zegt ze troostend, 'Carl komt wel
weer terug. Zal ik eens effe je haar mooi borstelen?'
Bloem weet dat moeder dat zo lekker vindt. Met lange
strelende halen gaat ze over moeders mooie donkere haar.
'Een mens wil wel eens
praten,' zegt moeder, wat rustiger geworden door Bloems lieve manier van doen.
'Had ik maar iemand, een echte vriend of vriendin...'
Als aan de grond genageld blijft Bloem staan, de borstel
in de hand. Had ze van die mensen niet gehoord...
'Mam, ik heb een mooie kaart gekregen... Wacht, ik pak
hem even. Kijk deze man, hè, Jezus heet Hij, wil ons helpen. Dat heb ik vandaag
op straat gehoord. 't Waren aardige mensen. Zullen we morgen samen naar die
kerk gaan? Het adres staat hierachter, zie je wel?'
Moeder haalt onverschillig haar schouders op. Jezus en
God... hoe kunnen die je nu helpen?
'Ach toe, mam, laten we gaan. Eén keertje maar, ja?'
'Nou vooruit dan maar. Jij je zin,' besluit moeder om
haar dochter een plezier te doen.
Als Bloem zich die avond lekker behaaglijk onder haar
dekbed schurkt, voelt ze zich blij en tevreden. Morgen zal ze meer over Jezus
te weten komen...