Corné leert wat genade is

 

Er loopt een jongen over de landweg. Hij is op weg naar huis. Zijn gezicht staat wat gespannen en telkens kijkt hij even achterom. Het is Corné, een leuke blonde deugniet, die de hele middag bij zijn neef heeft gespeeld.

 

Hoe dichter hij bij zijn huis komt, hoe zenuwachtiger hij wordt. Hoe komt dat? Is hij soms te laat? Heeft hij iets verkeerds gedaan? Het heeft te maken met twee dikke bobbels in z'n zak. Waar zouden die van zijn?

'Vanmiddag mag je weer bij tante Jopie spelen,' had moeder gezegd, toen Corné die woensdagmiddag uit school kwam.

'Ze heeft net opgebeld.'

Hoi, hoi, Corné sprong haast een gat in de lucht. Bij Hans verveelde hij zich nooit. Die had toch zulk mooi speelgoed. Vooral auto's. Een hele verzameling, dure, aparte... Auto's met een vliegwieltje erin en op batterijen, brandweerauto's met een licht. Snelle sportwagens met afstandbediening. O, Corné keek z'n ogen uit. Bij hem thuis hadden ze het niet zo rijk. Moeder moest zelfs uit werken gaan om nog wat bij te verdienen. Ze vond het bovendien ook niet nodig om haar kind zo te verwennen met veel en duur speelgoed.

'Op het laatst ben je nergens meer mee tevreden.' zei ze. Daar was Corné het natuurlijk niet mee eens. Maar gelukkig kon hij zo af en toe met de autootjes van Hans spelen.

 

Veel te snel was de middag omgevlogen.

'Tijd om naar huis te gaan, Corné,' zei tante Jopie. Ze gaf hem nog een schuine drop mee voor onderweg en toen vertrok Corné. Maar in zijn zak zaten twee dikke bobbels. De ene bobbel was een autootje en de andere bobbel een batterij. Corné had gestolen. Bij de kruising van het landweggetje met het zandpad blijft hij plotseling stokstijf staan. Daar in de verte...  op de fiets komt zijn moeder aan. Paniek vliegt hem naar de keel. O, wat zal hij doen? Corné aarzelt...  Zal hij terugrennen, zich verstoppen of gewoon doorlopen, net alsof er niets aan de hand is. Hij besluit tot het laatste.

'Hallo Corné,' zegt zijn moeder, terwijl ze van haar fiets stapt. 'Heb je een leuke middag gehad?' Corné houdt zich groot. Hij vertelt opgewonden en enthousiast over zijn belevenissen. Een beetje te enthousiast misschien?

Moeder heeft de bobbels al lang gezien. Op een gegeven moment vraagt ze dan ook: 'Wat heb je daar in je zak, Corné?'

En ja, dan moet hij met een rooie kop van schaamte de gestolen auto tevoorschijn halen. Moeder is een gelukkig een wijze vrouw.

'Ga dat even terugbrengen,' zegt ze kalm, 'Ik wacht hier wel op je. Dan gaan we daarna nog even naar de bakker in het dorp om brood.'

Opgelucht rent Corné terug. Gelukkig hij kreeg geen klappen. Hij zet het autootje maar vlug op de tuintafel. Daar zullen tante of Hans het wel vinden. Maar bij het terughollen bemerkt hij die andere bobbel in zijn zak. O, de batterij. Moet hij nou weer terug? Nee, hij weet al wat. Met een snelle beweging gooit hij het gestolen ding ver het land in, zoekt een grote steen en... stopt die ervoor in de plaats. 'Wat heb je in die andere zak, Corné?' vraagt moeder als ze hem weer ziet. 'Gewoon een steen.' antwoordt de deugniet en toont hem haar. Sjongejonge, wat bonst zijn hart. Hij zit wel flink mis vandaag. Zou moeder het doorhebben?

'Spring maar achterop,' zegt ze alleen maar. Met zijn armen om moeders middel geslagen zit Corné even later achter op de fiets. De warmte van zijn moeder troost hem een beetje. En stiekem denkt hij: 'Als ik maar lief doe tegen mamma, zal me wel vergeven.'

 

Maar weet je wat  moeder doet? Ze stopt niet bij de bakker, maar bij een speelgoedzaak.

'Kom mee,' zegt ze, 'je mag een mooie auto uitzoeken. Ik heb vandaag toch iets extra's verdiend.'

Corné is stom verbaasd. Hij kan zijn oren niet geloven. Krijgt hij een beloning in plaats van straf?  Met een sprong vliegt hij z'n moeder om haar nek. 'Het spijt me, mam. Ik zal het nooit meer doen,' stamelt hij onhandig.

Nooit is Corné dit voorval vergeten. Hij heeft ook nooit meer gestolen. Zijn moeder leerde hem wat genade is.