Hoe Sylvia van haar haat afkwam

Het was niet echt een kwaaie hond, die Vanya. Hij was gewoon fel, intelligent en trouw tot de dood aan zijn baas. Er hoefde maar iets te gebeuren, iemand die langs het huis liep, of een bescheiden belletje aan de voordeur, of Vanya zat al in de plantjes. Met zijn beide poten geleund op de vensterbank blafte hij al zijn witte tanden bloot.

'Weg, weg indringers! Dit is mijn terrein. Ik bescherm mijn baas en jij hebt hier niks te maken.' leek hij wel te zeggen.

De baas zelf was een klein onbeduidend mannetje. Als je hard blies kon je hem zowat omblazen. Hij had in de oorlog in een concentratiekamp gezeten en daarvan een slechte gezondheid overgehouden. Maar voor zijn Mechelse herder Vanya was hij goed. Streng, maar liefdevol. Vanya kreeg meer eten dan hijzelf. Het was dus geen wonder dat Vanya's ogen altijd op de baas waren gericht. Stond hij op, dan stond de hond op. Als hij tv zat te kijken lag de hond aan zijn voeten. Nee, de baas hoefde echt met Vanya aan zijn zijde niet bang te zijn voor inbrekers.

 

Het was maar zo'n domme, halfblinde inbreker, die op een dag over het piepkleine balkonnetje liep. Precies toen de balkondeuren wijd openstonden omdat het zulk warm weer was. Vanya besprong hem met een nietsontziende woede. Een korte worsteling en Fluffie, de oude poes van de buren lag met gestrekte pootjes. Dood. Niemand had dit kunnen voorkomen. Het gebeurde gewoon. Maar wat een verdriet voor Sylvia van elf, die haar lieveling moest missen.

'Ik kwam 's ochtends uit m'n bed en ik dacht dat mijn lieve Fluffie er nog was maar hij was er niet meer. Ik dacht nog eens na en toen wist ik het weer: hij was dood en

ik begon te huilen. Doodgebeten door de hond van de buren. Ik hou nog steeds van hem. Het is mijn lieveling.' schreef ze aan haar tante.

Ach ja. Fluffie was al in hun gezin toen zij nog moest worden geboren. Moeder had de poes wel eens uit het ledikantje gehaald, waar ze samen lekker lagen te slapen. En toen Sylvia opgroeide werd Fluffie haar beste speelkameraadje. Dan weer werd ze in de poppenwagen rondgereden en dan weer was ze tijger in het kindercircus. En nu ze na al die jaren halfblind en wat sloom geworden was, sprong ze toch nog altijd ronkend en spinnend op de bank naast Sylvia, zodra ze een boek ging zitten lezen. Totdat die fatale dag kwam...

 

'Ik haat die hond!' had Sylvia geschreeuwd toen ze het slechte nieuws hoorde. 'Ik haat hem, ik haat hem!'

Een klein stemmetje binnen in haar hart zei: 'Sylvia, haten mag je niet van God.' Maar Sylvia luisterde niet. Vanya was immers geen mens, maar een loeder van een hond.

De weken gingen voorbij. Ze namen geen nieuw poesje meer. Moeder vond het te lastig, vooral met de vakantie. Op aanraden van haar tante maakte Sylvia een Fluffie gedenkboek. Ze haalde alle foto's waarop hij stond, met toestemming van moeder, uit het familiealbum en plakte ze erin. Steeds als ze zich weer iets herinnerde schreef ze het erbij. Fluffie, die bovenop de kast zat, Fluffie, die een muis had gevangen...

Maar op die manier bleef haar haat levend. Sylvia vergat 's morgens in haar Bijbels dagboekje te lezen. Ze vergat zelfs te bidden. Zo gingen een paar weken voorbij...

 

Op een dag, toen Sylvia van school kwam, ontdekte ze een oploopje voor haar deur. Ze schrok. Er lag iemand op de grond. Toch niet vader of moeder? Nee, het was de buurman, die onwel geworden was. En naast hem? De Mechelse herder Vanya. Hij likte jankend z'n baasjes gezicht, probeerde hem aan z'n overhemd mee te trekken...

'Eu! Eu-eu! Eu!!'

Niemand kon dichtbij komen, want dan trok Vanya zijn bovenlip op en toonde zijn witte tanden dreigend als messen. Al de haren op zijn schouders en rug stonden overeind.

'Pas op!' riepen enkele mensen, 'Die hond is vals.'

'Ze moeten hem afschieten.' mopperde een buurman, die altijd veel last had van Vanya's wilde blaffen. De menigte groeide aan. In de verte klonk al het gepèpúúp van een ziekenwagen, die opgeroepen was. Maar zodra Vanya hun witte uniformen zag werd hij pas echt bloeddorstig.

Als het ware automatisch begon Sylvia in haar hartje tot de Heer Jezus te bidden. De buurman had hulp nodig. Wat moesten ze doen?

'Probeer jij hem maar te roepen.' klonk het stemmetje binnenin haar.

Zij...? Zou het beest naar haar luisteren?... Zonder aan haar haat te denken riep ze: 'Vanya! Hier! Lig!'

Begreep de hond dat zijn baasje niet op kon staan? Hij keek Sylvia aan, blafte nog één keer met zijn kop schuin omhoog geheven en dan...

'Hier Vanya. Hier! Lig!' herhaalde Sylvia.

De spanning bij de omstanders steeg. Ze gingen wat achteruit. Ja zowaar!

Met de staart tussen de poten kwam de herder naar haar toe. Sylvia greep de riem, aaide over z'n kop en liet haar hand door hem likken.

'Oh!' zeiden alle mensen, 'Zie je dat? Hij houdt van haar.'

Nu kon eindelijk de buurman geholpen worden.

 

Sinds die dag was Sylvia's haat verdwenen. Een paar uur lang paste ze op Vanya, in de tuin natuurlijk, want moeder wou die felle hond niet in huis. Toen de stationcar van de zoon van de buurman voor de deur stilhield om Vanya te komen ophalen, speet het haar gewoon dat ze hem moest afstaan.

'Dag, Vanyabeest, braaf beest.' zei ze terwijl ze hem om z'n nek pakte. 'Ik zal je nooit vergeten.'

Vanya legde zijn grote bruine poot op haar schoot, kwispelde met heel zijn achterlijf alsof hij wou zeggen: 'En ik jou ook niet.'

'Danku, Heer Jezus,' bad Sylvia die avond voor het slapen gaan. 'Danku, dat U me hebt geholpen over m'n haat heen te komen. Het was eigenlijk een heel nare tijd.'