Schoon tempeltje
Wie zingt daar zo hard met de cassetterecorder mee? Dat
is Japie. Het klinkt een ietsepietsie vals, want hij kan niet zo goed
wijshouden.
'Weet je wel, weet je wel, je bent een tempel...'
Japie is altijd vrolijk. Ook 's morgens als de anderen
wel eens met sombere gezichten rondlopen. Sinds hij op de club zit en de Heer
Jezus is zijn hartje woont, zet hij 's morgens een bandje met kinderliedjes op
en zingt naar hartelust mee. Zo ook vandaag. Ondertussen trekt hij z'n vuile sokken
van gisteren aan...
Asjemenou! Een gat... Nou ja, gewoon een beetje
opschuiven met z'n teen. Vlug z'n broek aantrekken... Als hij zich omdraait,
staren hem plots twee hardblauwe pientere ogen aan van een smerig ventje, de
haren recht overeind als de stekels van een egel. Oei! Dat istie zelf. Het
spiegelbeeld lacht hem grijnzend toe met ongepoetste tanden. Veel tijd om er
over na te denken is er niet, want de blonde krullenbol van Elsie, z'n zusje,
komt om de hoek van de deur steken.
'Japie, moeder vraagt of je komt eten.'
Elsie, die schat, krijgt van hem een dikke zoen en een
dropje uit zijn geheime potje. Met een mond vol zoete zwartigheid vraagt ze:
'Wat is dat, een tempel, Japie?'
'Wat bedoel je?'
'Nou van dat liedje dat je zonet zong.'
'O, dat.'
Hij neemt Elsie op schoot en zegt grote-mensenachtig:
'Een tempel, Elsie, dat is een groot mooi gebouw. Wacht even, ik heb er een
plaatje van.'
Ergens uit een laatje wordt het plaatje opgediept, dat
hij op school kreeg voor zijn verjaardag.
'Kijk, een wit gebouw met een gouden deur. Daarin woonde
God, in het allerheiligste. Er waren blauwe gordijnen met engeltjes en een
gouden lamp enne ... alles was mooi, mooi! En Elsie, nou zijn wij ook
tempeltjes. De Heer Jezus wil in ons hart wonen. Wil Elsie dat wel graag?'
Ze knikt met haar mond vol en glijdt van zijn schoot,
want de pop moet nog in bad.
Japie moet alleen z'n schoenen nog aan.
'Knap!' de veter kapot. Ook dat nog. Met een heel klein
stukje kan er nog net een knoopje gelegd worden. Klaar!
Juist wil hij de kamer verlaten, als er een vraag in z'n
gedachten komt.
'Ben jij wel een schoon tempeltje, Japie?'
Met een schok staat hij stil, kijkt eens naar zijn vuile
handen en naar zijn kapotte veter...
'Japie!' klinkt moeders stem ongeduldig. 'Kom je nog?'
'Begin maar vast, mam!' roept Japie.
Hoor je hem in de badkamer galmen? De tandpasta spettert
tegen de spiegel. Vijf minuutjes later zit er een echt schoon tempeltje aan
tafel.