Bang in het donker (Oma vertelt)
In de oorlogsjaren mocht men in huis geen elektriciteit
gebruiken. De mensen moesten zich behelpen met kaarsen en olielampjes. Die
maakte men zo:
In een glas werd een laagje olie gegoten. (Olie drijft
op het water.) Dan trok je een katoenen draad (een lontje) door een stukje blik
en liet het drijven op de olie. Aansteken en... je lampje was klaar. Zo'n
lampje zette je op tafel. Veel licht gaf het niet, maar 't was toch beter dan
niets.
Veel dingen moest men in het donker of halfduister doen.
Kolen scheppen bijvoorbeeld.
Ik moest altijd, omdat ik de oudste was, voor mijn
moeder kolen scheppen in de kelder. Tien treden naar beneden in een donkere
lege kelder, waar allerlei gevaren zouden kunnen opduiken.
Oei, wat was ik bang. Ik bad heel de weg: 'Heer Jezus
help me, Heer Jezus help me.'
Ik schepte gauw de kolenkit vol en rende weer terug, de
kriebels in m'n benen en het zweet op m'n gezicht.
Op een keer was ik weer aan
het scheppen toen ik iets vreemds voelde. Ik schopte ertegen en het voelde
zacht aan.
Met m'n ene hand aan de kit, tastte ik met de andere
hand naar dat vreemde ding. O, griezel het was bontachtig zacht, warm en er
leefde iets. Gillend rende ik naar boven. M'n moeder ging natuurlijk ook kijken
met de zaklantaarn. En raad eens wat ze vond? Een rattennest. Een
aantal naakte blinde ratjes lag op een zacht nest. We hebben maar gauw de
buurman erbij geroepen om het weg te halen. Voor de moederrat werd rattengif
neergelegd. Je begrijpt wel dat ik sindsdien nog banger was in het donker. Maar
ik weet ook dat bidden helpt.