Mik altijd op het hart
Jullie hebben vast wel eens gehoord van Pistolen Pietje, de cowboy die
de burgers van zijn stad verloste van de plaag van dieven en rovers met zijn
razendsnelle reactie van zijn pistool.
Jullie kennen ook vast wel andere grote namen, helden van het wilde
westen, zoals Wilde Willem Hinksprong en Snelle Snoepie. Hun avonturen worden
avond aan avond verteld bij de kampvuren van de goudzoekers. Wat een moed
vertoonden ze en wat waren ze kundig in het werpen van de lasso.
Zij zijn de idolen van iedere rechtgeaarde cowboy.
Maar mocht je heel toevallig nog nooit gehoord hebben van Bliksemse
Billy, wat ik me niet kan voorstellen, want hij staat bovenin de top tien van
de Meest Beroemde Cowboys aller tijden, dan volgt hier het verhaal van één van
de merkwaardigste acties, die ik persoonlijk met hem meemaakte. Ga er maar eens goed voor zitten.
Nooit, nee nooit van zijn leven zal ik de dag
vergeten dat Bliksemse Billy ons kleine stadje Neverland met een bezoek
vereerde en binnenstapte in de Golddiggers’ Saloon. De deurtjes van de entree
klapten met een knal heen en weer toen Billy met zijn brede schouders en
smalle heupen naar binnen kwam. Hij imponeerde alle aanwezigen met zijn
doorgroefde gezicht en zijn bestofte cowboylaarzen.
Onder doodse stilte beende Billy naar de bar. Terwijl
hij plaats nam op een kruk sloeg hij met zijn rechterknuist op de toonbank en
bulderde ongeduldig: ‘Eén prik, alsjeblieft.’
‘Hè?’ zei de barman ongelovig. ‘Je bedoelt…’
‘Je hoort toch wat ik zeg!’ zei Billy dreigend,
terwijl zijn hand onwillekeurig naar zijn heup greep, waar zijn revolver
nonchalant uit het holster stak.
We hielden onze adem in. Wat was dat voor een rare
peer. Prik bestellen in plaats van whisky?
Nu moet je weten dat vlak naast hem aan de bar een boef
stond met de naam Linke
Loetje. Hij was buitengewoon link. Onbetrouwbaar met schele ogen. Je wist nooit
wat je aan hem had. Als je dacht dat hij je aankeek, keek hij juist met zijn
andere oog naar iets anders. Loet hoorde bij een dievenbende die onze stad
onveilig maakte. Het was een ware rattenplaag. Niemand, ook niet de
plaatselijke sheriff met zijn grote hangsnor kon een einde maken aan de
overvallen van deze misdadigers.
En weet je hoe de baas van die gangsters heette?
Juist, je raadt het al. Het was Ievel MacKnieval.
Loet had een chagrijnige kop net als alle andere
boeven met kleine gemene oogjes. Billy ergerde zich al meteen aan de dreiging
die van hem uitging.
‘Hé jij. Wat zit je stom naar mij te kijken, man.’
zei hij bars.
‘Ja, mag het?’ gromde Linke Loetje terug terwijl hij
een glas bier greep, dat van één eind van de toonbank vakkundig naar hem toe
geschoven werd.
‘Ik dacht het niet,” zei Larry, ‘Jouw gezicht staat
me waarachtig niet aan. ik weet er wel wat op.’ Hij
schopte zijn barkruk naar achteren en hield zijn hand dreigend op zijn
revolver.
‘Zal wel! Nou, kom maar op, mannetje!’
De rest van de aanwezigen maakten zich razendsnel uit de voeten. De barman dook weg achter de bar, onderwijl nog snel de fles met whisky meegraaiend.
Billy en Loetje ramden stoelen en tafels uit de weg
en in de leeggekomen ruimte namen ze tien stappen afstand van elkaar. Hun
handen, klaar om te reageren, rustten op de holsters. Het gezicht van Bliksemse
Billy was bevroren in een grijns.
De spanning in de Saloon was te snijden. De weggekropen
omstanders zagen hoe de twee tegenstanders elkaar opnamen met hun ogen. Wie zou
het snelst kunnen reageren?
Spannende seconden gingen voorbij. Je hoorde alleen
maar een vlieg zoemen in een leeggedronken glas bier.
Het was Linke Loetje! Eén vloeiende beweging was
genoeg om zijn revolver te trekken. Maar voordat hij die ook maar een
millimeter kon verschuiven werd hij al getroffen door een lichtflits uit de
revolver van Billy.
Dzjoe!!
Het fatale schot raakte Loet recht in zijn hart. Hij
begon te wankelen, greep naar zijn borst. Mensen schoten toe en Loet viel op de
grond. Was hij nog te redden? Konden ze hem nog reanimeren? Was er een dokter
in de buurt?
Na een paar tellen ging Linke Loetje echter rechtop
zitten. Hij draaide met zijn ogen en zuchtte. Iedereen hield zijn adem in. Wat
zouden de laatste woorden zijn van Loet? Had hij ergens een schat verborgen?
Wilde hij soms nog zijn oude moeder de groeten doen?
‘Ik… eh…. Sjonge, … eh… dat is echt cool, man.’ zei Loetje
wit van de schrik.
En… kinderen, voor mijn eigen ogen zag ik wonder
aller wonderen dat Loet nog kerngezond was. Er was geen bloeddruppel te zien.
Geen uiteengereten borstkas. Geen gapende wond, niks.
Linke Loetje, geraakt door de lichtflits uit de revolver van Billy was nog
helemaal zichzelf. Behalve…
De chagrijnige blik was verdwenen. Hoe was dat
mogelijk? Rondom zijn brede mond met de uitstekende onderlip glansde zelfs een
beminnelijke glimlach! Dit houd je niet voor mogelijk. Wat was er gebeurd? Wie
ter wereld kon ons dat uitleggen?
Loet stond vlotjes op, stopte zijn revolver weer in
de holster en schommelde met open armen naar Billy toe. Zo’n
enorme hug van twee mannen had ik nog nooit gezien!
‘Welkom, vreemdeling,’ riep
Loetje joviaal, ‘Wat is je naam? Wat ben ik blij dat ik jou heb leren kennen! Wil
je wat drinken? Ik betaal. Barman, één rondje limonade voor iedereen!’
De rust keerde weer in de saloon, maar voortdurend
vroeg ik me af wat het geheim was van de bliksemflits uit de revolver van
Bliksemende Billy.
* * *
Het gerucht van wat er was gebeurd in de Golddiggers’
Saloon verspreidde zich als een lopend vuurtje. Natuurlijk kwam het ook Ievel MacKnieval
ter ore. Zou zijn rechterhand Linke Loet werkelijk een goeie
vent geworden zijn? Dat kon niet en dat mocht niet. Dan stortte de hele wereld
van goed en kwaad ineen.
De melding dat de Linke had geglimlacht kwam als een
shock aan bij de mannen. Iedere gangster zou liever sterven dan glimlachen.
Er werd druk overleg gepleegd en tegen de avond was
het besluit genomen. Dit moest met geweld gestopt worden en wel meteen.
’s Morgens vroeg reden Mietje Mislukkeling, Stinkende
Steef met de Gouwe Tand en Dikke Dinges het stadje Neverland binnen. Ze
schreeuwden als gekken, wild in het rond schietend. Ruiten sneuvelden en mensen
vluchtten alle kanten uit.
De deur van de Saloon vloog open en wie kwam daar
naar buiten? Bliksemende Billy. Zonder waarschuwing, zonder te stoppen met
glimlachen schoot hij drie lichtflitsen af. Die raakten de gangsters recht in
het hart. Wat een actie.
Met een akelige bons vielen de schurken op de grond,
hun ogen star van schrik. Maar toen er een paar tellen
voorbij waren merkten ze dat ze niet gewond waren. Ze waren alleen veranderd.
‘Jongens,’ zuchtte Mietje Mislukkeling met een hoog
stemmetje, ‘Ik geloof dat we fout bezig zijn.’
‘Wat je zegt,’ grinnikte Stinkende Steef. ‘Dit zijn
allemaal vrienden van ons, toch?’
‘Dit stadje verdient een opknapbeurt!’ vond Dikke
Dinges, die ooit te lui was op zijn ogen open te doen.
Ze sprongen overeind en weet je wat ze gingen doen?
De rest van de dag waren ze bezig kapotte ramen te repareren. Ze boden zelfs
nog hun excuus aan aan de eigenaars van de huizen. Aan het eind van de dag
gingen ze ook nog eendjes voeren in het park.
* * *
Nu had Ievel MacKnieval al vier van zijn gemeenste
gangsters verloren. Wat een afgang. Hier moest een schrikwekkend voorbeeld
gesteld worden.
De volgende dag liepen dan ook de Peukenraper en Kotsende
Keesie de Nationale Spaarbank binnen met getrokken revolvers. Ze droegen maskers,
maar iedereen wist wie het waren, omdat ze zo uit hun adem stonken.
‘Hands up!’ schreeuwde de Peuk.
‘Al het geld uit de kluis en snel een beetje.” schreeuwde
Keessie met zijn schorre nicotinestem.
Net toen ze met de buit de bank weer uitrenden, kwam Bliksemse
Billy langs slenteren, strootje in zijn mond, petje achterstevoren.
Onverstoord wandelde hij verder, terwijl hij terloops
zijn revolver trok.
‘Pjoei, pjoei!’ schoot hij en raakte de bandieten in
de rug. Het licht ging recht door hun hart.
De bandieten konden het niet geloven. Ze waren
geraakt en toch niet dood, maar wel veranderd. Hun mond viel dom open en hun
ogen waren groot van ontzetting.
‘Sorry, sorry, sorry. Van hardwerkende mensen stelen.
Dat kun je toch eigenlijk niet maken,” zei de Peuk huilerig en vol spijt.
‘Ja, je hebt gelijk. Dat zei mijn moeder ook altijd,’
antwoordde Kotsende Keessie krijtwit.
Ze stopten de revolvers terug in hun holsters, pakten
de zakken met gestolen geld weer op en brachten ze terug naar de bank.
‘Jongen, bewaar dat geld maar goed, hoor!” zei
Kotsende Keessie tegen de verbaasde baliemedewerker.
* * *
Dit hele gebeuren vormde de druppel die de emmer deed
overlopen voor Ievel MacKnieval. Het werd tijd voor een confrontatie.
Toen Billy de volgende dag bij volle maan, zijn
limonade met een rietje zat te drinken in de Golddiggers’ Saloon stormde Ievel
MacKnieval door de deurtjes naar binnen regelrecht op Billy af. De stoom kwam
uit zijn oren.
‘Jij daar!’ blafte hij nijdig.
‘Als dat Ievel niet is!” grijnsde Billy vrolijk. ‘Glaasje
prik, jongen?’
‘Hou je babydrankjes maar
voor je, slapjanus.‘ klonk het onvriendelijke antwoord. ‘Sterke kerels nemen
sterke drank. En dan dit nog: Deze stad is niet groot genoeg voor ons tweeën.’
‘Zou je denken?’ vroeg Larry cool als een komkommer.
“Volgens mij is er ruimte zat!’ Beide mannen grepen naar hun revolver. Dit werd
de grote finale, dat snapte mijn zusje nog wel.
‘Ik wacht je op bij het Okey-Dokey plein, Bill.’
Er klonk dreiging in de stem van Ievel. Hij draaide
zich met een ruk om en verliet de Saloon.
Bliksemende Billy bleef ijskoud onder de dreiging.
Hij dronk rustig zijn limonade op en vertrok toen op zijn dooie akkertje
richting het stadsplein.
Al gauw stond het plein zwart van de mensen die
gehoord hadden van het gesprek in de Saloon. Aan de noordzijde stond Ievel
MacKnieval met zijn maten Schorre Morrie en Melkmuiltje, Vetkuif, Henk
Mankepoot, Big Lover en Schrik van Rondom. Er was er niet één bij die
vriendelijk keek.
‘Lekker weertje, jongens!’ sarde Bliksemende Billy.
Hij posteerde zich aan de zuidzijde. Een scheidsrechter mat de afstand tussen
beide partijen en hief zijn hand op ten teken dat alles oké was. Nu zou je de
poppen aan het dansen hebben.
Dit kon Billy nooit winnen, hoewel hij de snelste
schutter van allemaal was. Hij stond er alleen voor.
Maar wat gebeurt er? Voordat de scheids
zijn hand laat zakken gaat de deur van de Saloon open en een stem brult: ‘Ken
je nog wat hulp gebruike, Billy?”
En tot aller verbazing stappen daar naar buiten:
Linke Loetje met in zijn kielzog de andere ex-gangsters: Mietje Mislukkeling, Stinkende
Steef met de Gouwe Tand en Dikke Dinges, de Peuk en Kotsende Keessie. Ze gingen
naast hun vriend staan. Op één rij.
‘Verraders!’ schreeuwde Ievel MacKnieval, maar dat
was dan ook het laatste wat er gezegd kon worden want de scheids
kwam in actie.
‘Opgelet… Vuur!’
Ievel en zijn zes mannen trokken hun pistolen. Maar Billy
en zijn vrienden waren een fractie van een seconde sneller. Zeven kleine lichtflitsen
raakten de gangsters precies in hun je weet wel.
Even was het stil. Toen voltrok zich het wonder.
Alle gangsters werden lief.
‘Jippiejajee!’ zong Ievel. Hij gooide zijn revolver
met een boog in een emmer water. De anderen wilden iedereen kusjes gaan geven.
Een maffe vertoning.
‘Oké, mannen!” riep Bliksemende Billy doortastend
toen de eerste verbazing bekoeld was. “En nu maken we de klus ook af. Dit
stadje zal nooit meer hetzelfde zijn. Vuur!’
Voor we dekking konden zoeken werden we allemaal
beschoten uit de revolvers van Billy en zijn maten. Lichtflitsen vlogen over en
weer. Niemand
werd ontzien. Geen man, geen vrouw, geen kind.
Nooit zag je een gelukkiger menigte! We renden door
elkaar heen en omhelsden elkaar. De muzikanten pakten hun instrumenten en
begonnen muziek te maken. De Hoofdstraat was vol dansende mensen. Het was één
groot feest. De limonade stroomde als een rivier.
* * *
Door al die drukte waren er maar weinig mensen die Billy
tegen zonsopgang op zijn paard zagen vertrekken. Waar hij heenging weet
niemand.
Maar ik durf er een eed op af te leggen dat hij ergens
op de wereld met zijn petje achterstevoren en een grasspriet in zijn mond
mensen aan het veranderen is. In gedachten horen we zijn opdracht: ‘Kinderen,
mik altijd op het hart.’