Aishe en het engeltje
‘Mam, is dat niet schattig,’
roept Fleurtje als ze uit school komt.
Ze smijt haar tas naast de
bank en ploft buiten adem neer. Haar moeder komt met sop aan haar handen uit de
keuken lopen.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt
ze nieuwsgierig. Fleur heeft een kleur van het rennen. Ze wil haar geheim zo
graag aan moeder vertellen. Het gaat over haar allerbeste vriendin Aishe.
‘Mam, Aishe gelooft niet in
Jezus, maar wel in engelen. Ze heeft een eigen engeltje zegt ze. Ze ziet het
overal, als ze het roept. Op straat, in het bos, thuis in de badkamer. Het is
een mooi lichtgevend schattig klein meisje. Ze heeft het voor me getekend. En
mam…, het engeltje geeft haar ook raad. Ze kan er gewoon mee praten. Vorige
week had het gezegd: Je krijgt een acht voor rekenen en het gebeurde nog ook.
Is dat niet waanzinnig schattig? Ik ga Jezus ook om zo’n engeltje vragen.’
‘Dat zou ik maar even niet
doen,’ antwoordt moeder nuchter. ‘Als jij de tafel vast wil dekken, dan zullen
we er na het eten over doorpraten, oké?’
Maar van praten na het eten
komt niets terecht, want ze krijgen een telefoontje van de buurvrouw van oma.
Oma is onwel geworden en moeder moet er direct naar toe. Met een bezorgd hart
vertrekt Fleur weer naar school.
Die middag kan ze haar
gedachten niet bij haar werk houden. Ze zit te denken over het engeltje van
Aisha en over oma die ziek is. Zou het engeltje ook kunnen zorgen voor oma? Zou
het oma ook kunnen beschermen? Engelen leven toch dicht bij God?
Was er niet een psalm die
over engelen ging? Ze had pas nog een tekst uit haar hoofd moeten leren voor de
zondagsschool. Het was iets van: ‘Gods engelen waken over je waar je ook
gaat.’ O ja, het was het psalm 91.
‘En Rome is de hoofdstad van…
Fleur?’ vraagt de juf, die ijverig haar best doet om de hoofdsteden van Europa
er in te stampen bij de kinderen.
‘Eh… Engeland.’ Fleur zegt
maar gauw wat. De klas begint te grinniken. Ze had beter moeten opletten.
Na schooltijd rent Fleur
gauw naar huis. Ze moet gewoon weten hoe het nu met oma is. Zou mam er al weer
zijn?
‘Heer Jezus,’ bidt ze
bezorgd, ‘wilt u alstublieft een engel bij oma’s bed zetten?’
Mamma is nog niet thuis, wel
Toos, de werkster. Zou die wat van engelen weten?
Ja hoor. Toos kent nog een
nachtgebedje met engeltjes van toen ze zelf nog kind was. Het gaat zo:
‘'s Avonds als ik slapen ga volgen mij veertien engeltjes na…’
‘Hoeveel?’
roept Fleur verbaasd. ‘Veertien? Ja,
Toos weet het zeker. Ze zegt het hele versje op.
‘Twee aan mijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind, twee aan mijn rechterzij,
twee aan mijn linkerzij. Twee die mij dekken, twee die mij wekken, twee die mij
leren
de weg des Heren.’
Tsjonge,
dat is een mooi gedichtje. Zou Toos het soms voor Fleur op willen schrijven,
dan kan mamma het ook lezen. En wat is dekken?
‘Dekken
is toedekken,’ zegt Toos.
Fleur
vindt dat maar vreemd. Ze dekt zichzelf altijd toe. Maar je weet nooit wat er
gebeurt als je het niet zelf doet. Dat moet ze eens uit proberen. Eigenlijk
vindt Fleur het wel een beetje veel worden. Zoveel engelen in een klein kamertje.
Om
vijf uur komt mamma thuis. Gelukkig is oma weer in orde. Ze was gewoon onwel
geworden door het warme weer. Oude mensen drinken soms te weinig. Fleur haalt
opgelucht adem. Ze eten maar iets makkelijks, poffertjes uit de magnetron en
een glas vers geperst sinaasappelsap.
Als
de afwas gedaan is ploffen ze naast elkaar op de bank.
‘Zo
schat,’ zegt moeder met haar arm om Fleur heen, ‘je hebt nog wat van me tegoed.
Vertel nou nog eens over je vriendin Aishe en de engel.’
Als
Fleur alles opnieuw heeft verteld kijkt moeder toch wat zorgelijk.
‘Fleur,’
zegt ze, ‘wat Aishe meemaakt is gevaarlijk. In de bijbel staat dat engelen
dienaars van God zijn. Ze brengen een boodschap over. Maar het zijn nooit
kleine schattige meisjes en je moet ze zeker niet oproepen. Wij aanbidden geen
engelen, maar God. ‘
‘
Ik was juist zo blij dat Aishe in engelen geloofde,’ zegt Fleur teleurgesteld. ‘Die
horen toch bij God.’
‘Fleurekind,’
zegt moeder. ‘Er zijn twee soorten engelen. Wist je dat niet? Engelen van het
licht en engelen van de duisternis.’
Dan
is er niets aan de hand, vindt Fleur, want het engeltje van Aisha is een mooi
licht meisje. Maar daar is moeder het niet mee eens. ‘Die engelen van de
duisternis doen net of ze engelen van het licht zijn,’ zegt moeder. ‘Maar
uiteindelijk maken ze je afhankelijk en kom je verder van God vandaan.’
Fleur
heeft nog veel meer vragen, maar het is bedtijd. Moeder komt haar instoppen.
‘Here,
houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht,’ bidt Fleurtje onder de deken en
dan is ze al spoedig in dromenland.
In
de dagen daarna spreken Fleur en Aisha eigenlijk helemaal niet meer over het
engeltje. Ze gaan op school een spelmiddag houden voor weeskinderen in Brazilië
en daar moeten ze allerlei dingen voor bedenken. Ze zitten in verschillende
groepen en daardoor spreken ze elkaar nauwelijks.
De
volgende maandag rent Fleur na schooltijd snel naar huis, want Doeska hun hond
is jarig en moeder en zij willen een hondengebakje voor hem maken. Een
versierde kluif met worstjes en hondenkoekjes.
Hé,
wacht even! Bijna was ze haar beste vriendin voorbij gerend. Aishe zit op een
bankje bij de singel. Ze kijkt een beetje puzzelig. Wat zou ze hebben?
‘Hoi
Ais,’ hijgt Fleur, terwijl ze naast haar duikt. ‘Waarom zit je hier?’
Aishe
steekt lauw haar hand op om Fleur een high Five te geven en zucht dan: ‘Ik kan
niet naar huis.’
Fleur
kijkt even de weg af. Niks bijzonders te zien. Geen wegblokkade of zo.
‘Waarom
niet? Is je moeder weg?’
‘Neer,’antwoordt
Aishe, ‘dat komt door mijn engel. Ze zei dat ik niet over de brug mag, anders
zal er een ongeluk gebeuren.’
‘Dat
meen je niet. En jij gelooft het?’
Ja
Aishe gelooft alles wat het engeltje zegt. Maar daardoor wordt ze gebonden. Ze
is niet meer vrij om te gaan en te staan waar ze wil.
Fleur
denkt diep na. Om Aishe te vertellen wat moeder had gezegd lijkt haar geen goed
idee. Ze moet een slimmigheidje bedenken.
‘En
als je nou achteruit loopt of je vingers gekruist houdt, het alfabet
achterstevoren opzegt of knoflook tussen je tanden houdt?’
Aishe
twijfelt. Er moet toch een weg zijn?
‘Ik
ben blij dat ik niet zo’n engeltje heb,’ zegt Fleur opgelucht. ‘In ons geloof
zijn engelen dienaren van God. Ze zijn minder belangrijk dan mensen, want wij
kunnen een kind van God worden en engelen niet. In mijn bijbel staat dat engelen
over mij waken dat mij geen kwaad geschiedt.’
Ineens
gaat haar een lichtje op. ‘Weet je wat? Als
ik nou jouw hand vasthoudt en jij loopt achteruit. Dan kun je nergens tegenaan
botsen, want ik loop met je mee tot je thuis bent. Oké?’
Ineens
veert Aishe op. Ze reageert niet op dit voorstel, maar op wat Fleur ervoor zei.
‘Is
dat waar? Kan Jezus mij beschermen?’
Fleur
bezweert haar dat het waar is. Ze kan zo aanwijzen in de bijbel waar het staat.
‘Nou,
dan wil ik net als jij geloven.’ zegt ze opgelucht.
‘Dan
gaat jouw engeltje wel weg, hoor!’ waarschuwt Fleur. ‘Dan mag je haar nooit
meer oproepen, want een kind van God moet zich aan zijn regels houden.’
Aishe
begrijpt dat best, maar ze is die rotengel al lang beu.
En
dan, daar op die bank bij de singel vragen ze samen of Jezus Aishe ook als zijn
kind wil aannemen. Er glijdt een grote last van Aishe af. Vrede stroomt haar
hart binnen.
Even
later huppelen ze samen de brug over, terwijl ze op een zelfgemaakt wijsje
zingen: ‘Lala, lalala, laladeraladela!’ wat
in gewoon Nederland betekent: ’Ik ben zo blij, want Jezus redde mij.’