Geschreven door Josine de Jong
(zie bijbelverhalen.nl)
‘Vluchten, vluchten…’ denkt Absalom.
Hij spoort zijn muilezel met zijn knieën aan om harder te
lopen. Zo af en toe kijkt hij schichtig achterom. Komen de knechten van zijn
vader David soms achter hem aan? Tot nu toe is er nog geen kip te zien. De
adrenaline giert door zijn lijf. Met zijn ene hand veegt hij het zweet van zijn
gezicht. De andere houdt de teugels losjes vast. Het is warm, zelfs nu het al
tegen de avond loopt. Absalom overdenkt wat er is
gebeurd.
Amnon, zijn halfbroer, is op zijn bevel
doodgeslagen. En daar heeft hij beslist geen spijt van. Het is zijn verdiende
loon… moest hij zijn zusje Tamar
maar niet verkrachten…
Ja, dat is al weer een paar jaar geleden, maar Tamars kansen op een gelukkig leven zijn daardoor finaal
verkeken.
Al die tijd heeft hij op het juiste moment gewacht om wraak
te nemen. Allerlei scenario’s zijn door zijn hoofd gegaan. Hij stond er mee op
en hij ging ermee naar bed. En vandaag is het er dan van gekomen. Eindelijk gerechtigheid! Het
hele gebeuren staat op z’n netvlies gebrand. Amnon, in een vreemde houding op de grond en al dat bloed,
dat rode bloed…
Absalom sluit een moment zijn ogen, maar
het beeld verdwijnt niet. Hij klemt zijn kaken op elkaar en probeert te denken
aan zijn vluchtplan. Als alles meezit zal hij vanavond
al een eind op weg zijn naar Gesur, het thuisland van
zijn moeder, waar zijn opa koning is.
‘David is er niet meer bij met zijn gedachten,’ zeggen de
mensen die elke dag met de koning omgaan. ‘Hij is zo afwezig. Dat komt vast
door de dood van zijn oudste zoon Amnon…” Ze schudden
meewarig hun hoofd. Het is ook wat als je oudste zoon, de troonopvolger,
vermoord wordt.
Maar die mensen slaan de plank mis. Dat David niet veel meer
eet en zich opsluit in zijn privé-vertrekken, dat
zijn harp ongebruikt in de hoek staat, komt… omdat hij die andere zoon zo erg
mist, de zoon die op de vlucht is voor hem.
“Absalom, mijn zoon, mijn zoon!”
huilt Davids hart, zijn vaderhart.
Ach, hij weet best dat Absalom een
misdaad heeft begaan, maar een vaderhart blijft liefhebben. Je kunt je
gevoel niet uitzetten…
Aan de andere kant is hij ook koning, en rechter. Hij moet
vonnis vellen. Dat wordt van hem verwacht. De ogen van het hele volk zijn op
hem gericht. Als de misdaad van Absalom ongestraft
blijft, dan breekt de hel los. Wie houdt zich dan nog aan wetten en regels? En
als hij rechtspreekt volgens de wet, de wet van oog om
oog en tand om tand, dan moet Absalom voor de moord
op zijn broer zelf ook sterven. Dan zal hij twee zoons kwijt zijn, twee
prachtige kostbare mannen.
Begrijp je? Dat is het vreselijke dilemma waar koning David
mee te maken heeft.
Als er iemand is die snapt wat er in David omgaat, dan is
het wel Joab, de veldheer. Logisch ook, want Joab trekt al jaren met David op, dag en nacht, in
tegenspoed en voorspoed. Hij voelt het probleem feilloos aan.
“David gaat er kapot aan,” denkt Joab, “ik moet er iets op verzinnen. Straks is ook het koningsschap nog in gevaar!”
Het kost hem wel een paar slapeloze nachten, maar dan krijgt
hij ook een briljant idee. Het moet een toneelstukje worden… Nu nog de juiste
mensen opzoeken en dan…
“De weduwe Joëlla uit Tekoa!” roept de dorpelwachter luid.
Koning David houdt zitting als rechter in de troonzaal.
Er zijn al veel mensen langsgekomen met aangiftes en
strafzaken. En nu is er een vrouw aan de beurt, die problemen heeft met haar
familie.
“Help me, koning David!” snikt ze, terwijl ze plat op haar
gezicht valt voor de koning, “Help me alstublieft!”
“Wat heb je?” vraagt David wat afstandelijk, terwijl hij een
slokje druivensap neemt, dat een bediende hem aanreikt. Hij wordt zo vaak
geconfronteerd met neptranen en dramatische verhalen. Maar naarmate de vrouw
haar verhaal vertelt voelt David zich er toch door gegrepen.
Het gaat over haar twee zoons. De jongens kregen ruzie en de
ene zoon sloeg de andere dood. Nu wil de familie zich op de dader wreken, maar
als hij vermoord wordt heeft ze geen zoon meer over.
Ze ziet echt geen uitweg meer. Kan de koning haar helpen?
David overlegt even fluisterend met zijn raadsman en knikt
dan tevreden. Dit is een bloedwraakkwestie en het antwoord is simpel. Hij staat
op en zegt: “Vrouw, zo waar de Here leeft, geen haar
van uw zoon zal gekrenkt worden. Ik zal er zelf op toezien.”
Hij gaat weer zitten. Zo, zaak afgehandeld, de volgende
zaak…
Maar nee, de vrouw gaat niet weg. Nu pas komt de aap uit de
mouw.
“Majesteit, mag ik nog even iets tegen u zeggen,
alstublieft?’
Het wordt haar toegestaan.
“U bent zo goed om mijn zoon genade te schenken. Waarom
schenkt u uw eigen zoon dan geen vergeving? U staat alom bekend als een man van
God. Dan moest u toch weten dat God altijd wegen zoekt om iemand te vergeven?”
Die woorden slaan in als een bom. David schuifelt ongemakkelijk op zijn troon.
Hoe weet die vrouw zo feilloos waar hij mee worstelt?
“Hier zit Joab achter,” flitst het
door hem heen. “Dat kan niet anders.”
Hij maakt een kort oogcontact met zijn legeraanvoerder en
vriend, maar die trekt een pokerface. Als David het aan de vrouw vraagt valt ze
door de mand.
“Vergeef me koning, u bent wel zo wijs als een engel van
God. Het is waar.” zegt ze.
Joab, die hierop voorbereid is, treedt
naar voren om het toneelstuk tot een goed einde te brengen. Hij buigt zich diep
in het stof voor zijn heer en meester…
Om Davids mond speelt een kleine glimlach. Hij is eigenlijk
dolblij met deze uitweg.
“Ik willig je verzoek in, Joab,”
zegt de koning na enige aarzeling. “Ga Absalom halen,
maar hij mag mijn aangezicht niet zien.”
En zo zien de mensen van Jericho
op een dag Absalom de stad weer binnen rijden in een
mooie wagen. Hij is inmiddels getrouwd en zijn vrouw
draagt een leuke baby op de arm. Brutaal werpt hij een blik op het raam van de koninklijke vertrekken. Ziet
hij daar iets bewegen? Staat vader daar naar hem te kijken vanachter dat dunne
gordijn?
“Wacht maar!” denkt Absalom, “dit is nog maar het begin. Ik zal weer totaal eerherstel
krijgen. Daar zal ik wel voor zorgen. Mijn tijd komt nog!”
Met een elegant gebaar wuift hij naar de mensenmenigte.
Links en rechts… Absalom, de mooie intelligente zoon
van David, beseft niet wat genade is. Hij heeft geen spijt van zijn zonde! Grote genade!