Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Ons pleegkind Hasan kwam bij ons toen hij twee jaar was. Op
een dag liep hij onze slaapkamer binnen en wat zag hij daar? Pappa Bram lag op
zijn knieën voor het bed. Hasan keek er even aandachtig naar en riep toen: ‘Wat
doe jij daar?’
Pappa Bram keek op en zei: ‘Ik praat met mijn vriend Jezus.’
‘O,’ antwoordde Hasan blij, ‘dan ga ik dat ook even doen.’
Hij knielde naast pappa en deed net als hij.
In het volgende verhaal gaat het ook over twee ouders, die
wisten wat bidden was. Moet je horen.
“Heer, God van mijn vader Abraham, u weet hoe dankbaar ik
was toen u mij Rebecca gaf als vrouw!” bad Isaäk op een dag, “Het is echt de mooiste vrouw uit de wijde
omtrek. Ze heeft een lief karakter en zorgt goed voor mij. Ook ben ik dolblij
dat ze zo’n diep geloof heeft. Ze is elke dag het
zonnetje in mijn leven, maar Heer,… we willen zo graag
kinderen. Met alles wat in mij is, wil ik u smeken of Rebecca zwanger mag
raken, alstublieft…”
Hij voelt een zachte hand op zijn schouder. “Wat zit je hier
zo eenzaam, lieve man?” vraagt Rebecca, die hem was gevolgd.
“Ik bid, vrouw.”
Isaäk snuft en veegt langs zijn ogen,
“Je weet wel… eh, dat we een kind zullen krijgen.””
Rebecca knielt neer en geeft haar man een dikke hug.
“De Heer zal ons op zijn tijd verhoren, Isaäk.
Ik bid er ook elke dag voor! Je weet toch wat de Heer beloofd heeft aan je
vader en moeder? ”
Isaäk knikt. Abraham en Sara hadden het
hem wel honderd keer verteld.
“Ons nageslacht zal zijn als de sterren aan de hemel en als
de zandkorrels aan de zee.’ antwoordt hij bemoedigd. “Maar lieve, het moet toch
met één kind beginnen…”
“Heb geduld, Isaäk, dat hadden je
ouders ook! God kan niet liegen. Hij zal doen wat Hij heeft beloofd.” besluit
Rebecca, terwijl ze haar hand uitsteekt om hem overeind te helpen…
Wat een sterke vrouw, die Rebecca, hè? En wat een groot
geloof had ze. Dat moest ook wel, want het duurde twintig jaar voordat ze in
verwachting raakte.
Als een vrouw ongeveer vijf maanden zwanger is gaat ze
beweging voelen in haar buik. Dat is een bijzondere ervaring, het kindje
beweegt armpjes en beentjes, het draait in het rond en dat schept een grote
band met de moeder. Ook Rebecca maakte dit mee.
‘Voel eens, Isaäk,” zei ze tegen haar man, “Even wachten… ja, hier, voel je?
Dat is ons kindje, geweldig hè?”
Isaäk hield verwonderd zijn hand op de
dikke buik van Rebecca.
“Prijs de Almachtige!” riep hij blij uit: “Wat is dat een
wonder zo’n ongeboren kindje! Vrouw, wat zijn we toch
gelukkig!”
Maar na een tijdje werd het trappen en schoppen in Rebecca’s buik wel heel erg.
“Is dit normaal?” vroeg ze zich af. Ze vroeg het aan andere
vrouwen, maar die haalden hun schouders op. Ze konden haar niet verder helpen.
Daarom ging ze het maar met haar hemelse Vader bespreken.
“Heer God, Almachtige, wat voor druk kindje hebt u ons toch
gegeven?” bad ze dus, “Wat is er aan de hand. Het
lijkt wel oorlog in mijn buik.”
En weet je wat de Here God
antwoordde? “Rebecca, er zijn twee volken in je schoot, volken die
uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere,
de oudste zal de jongste dienen.”
Volken? Hoe kon ze nou twee volken in haar buik hebben. Twee
kindjes kan wel, dat is een tweeling. Maar is dat dan hetzelfde? Ineens snapt
ze het. Een kindje kan later weer kinderen krijgen en die ook weer en dan is
het op den duur een heel volk. Eigenlijk is elk kindje een volk.
Rebecca legt haar handen beschermend op haar buik en lacht:
“Prijs God, ik krijg een tweeling! Isaäk, Isaäk moet je horen!…”
Op een snikhete dag, aan het begin van de zomer is het
zover. De kinderen gaan geboren worden. Rebecca in haar tent heeft heel erge
pijn. Je kunt haar al van verre horen gillen. Aaa en ooo en au!!
Het hele kamp is nerveus. Er wordt met water gesjouwd.
Knechten en dienstmeisjes lopen af en aan en Isaäk
loopt maar te ijsberen. Nee, hij mag niet bij zijn vrouw zijn. Rebecca wordt
geholpen door vrouwen die weten wat ze moeten doen, vrouwen met ervaring.
O, maar Isaäk vindt het zo lang
duren. Hij kan alleen maar bidden: “Heer, help Rebecca en laten we twee gezonde
kinderen krijgen alstublieft.” Hij veegt met een doek het zweet van zijn
gezicht. Pas tegen zonsondergang klinkt er plotseling babygehuil. “Oewèh, wèhh, wèh!”
De vrouwen in de tent zien een klein kopje te voorschijn
komen. Het is een jongetje, helemaal bedekt met piepkleine rode haartjes en het
krijst zijn longen uit zijn lijf. Maar… wat is dat nou? Het tweede kindje heeft
met zijn kleine handje de hiel van zijn broer vastgepakt, heel stevig.
Voorzichtig maken ze het handje los en duwen het weer naar binnen, want kindjes
moeten niet met hun handjes eerste geboren worden, maar met hun hoofdje. Na nog
een flinke pijnscheut, een wee zoals dat heet, komt ook het tweede kindje ter
wereld. Weer een jongetje. Het is niet rood en ook niet behaard. Met zijn natte
zwarte krulletjes en zijn roze huidje is het een plaatje om te zien. De vrouwen
leggen de baby’s in Rebecca’s armen. Ook het tweede
kindje krijst nu. Het is net een popconcert. Blij en doodmoe geniet ze van haar
prachtige jongens, maar niet lang, want Isaäk
daarbuiten wil zijn jongens ook graag bewonderen. De baby’s worden in een doek
gewikkeld en naar buiten gedragen. Er gaat een groot gejuich op als de kinderen
in de armen van hun verzorgsters naar buiten komen.
Wat is Isaäk trots op zijn
jongens, een rode en een zwarte, een stoere en een zachte.
Buren, kennissen, vrienden en bedienden komen langs. Het
lijkt wel een receptie.
Kijk die snoetjes. Die ene duimt al en die andere gaapt.
“Hoe gaan ze heten?’ vraagt iedereen.
“Deze rode, die het eerst geboren is, noemen we Esau!” lacht Isaäk, “dat is een goeie naam voor hem en die andere…
“Die noemen we
Jacob!…” horen ze Rebecca roepen vanuit de tent. “… Want hij hield de hiel van
zijn broertje vast bij hun geboorte!”
Isaäk heeft niet alles goed verstaan.
Wat is er met die hiel? De vrouwen vertellen het verhaal.
“O, op die manier,” lacht Isaäk, “Jacob! Wat een goeie naam.
Zo zal hij heten. Jij, kleine Jacob, hielvasthouder,
je bent me er één. Jij laat het kaas niet van je brood
eten! Je dacht zeker: Ik wil de eerstgeborene zijn. Lief klein schatje!” De trotse pappa geeft zijn zoontjes Esau en Jacob nog een heel zacht kusje en overhandigt ze
dan weer aan de vrouwen. Ze moeten gevoed worden natuurlijk.
Ja, de profetie van God was uitgekomen. Rebecca kreeg
inderdaad twee kinderen, twee volken en… maar wacht eens even. Kwam de rest van
de profetie ook uit? Je weet wel dat van die grote scheiding tussen die twee kinderen?
Ja hoor! Wat dacht je.
Die twee jongens waren ook in hun karakter heel
verschillend. Esau was een wilde, die hield van jagen
en op avontuur gaan en Jacob was juist huiselijk. Hij hield van gezelligheid,
lekker kletsen met zijn moeder voor de tent in het maanlicht. De één doodde
dieren en de ander verzorgde ze. De één geloofde het wel en de ander geloofde.
En Isaäk hield meer van Esau
en Rebecca prefereerde Jacob.
En nu, duizenden jaren later leven hun nakomelingen nog
steeds op gespannen voet met elkaar. Er is nog steeds oorlog. De oorlog die al
begon in de buik van Rebecca.