OT65 - Koning Balak
wil Gods volk laten vervloeken!
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Wat doe jij als je zenuwachtig en bang bent? Zet je keiharde muziek aan? Ga je iemand bellen of neem je de hond
op schoot? Je krijgt buikpijn, je wordt misselijk, je wilt gillen…. Nou, zo’n gevoel had de koning van Moab
ook.
‘Oudsten van het volk!’ spreekt de koning van Moab schor tegen zijn raadgevers. ‘We moeten het onder ogen
zien. ‘Er dreigt groot gevaar. Die menigte Israëlieten staat bij de grens en
als we het niet verhinderen zullen ze ons land kaalscheren!’
Hij stopt even om zijn woorden goed tot zijn mensen door te
laten dringen.
‘Wij moeten nu maatregelen nemen, anders gaan we er aan. Wie
heeft een idee.’
De koning neemt een slok wijn om de zenuwen de baas te
blijven, terwijl zijn adviseurs roezemoezerig met
elkaar in debat gaan. Het ene na het andere voorstel komt ter
tafel, maar de koning keurt alle ideeën af. Tot de hoftovenaar met een
voorstel komt. Met zijn felle zwarte oogjes en zijn lange grijze haren is hij
een merkwaardige verschijning aan het hof.
‘Ik stel voor de Israëlieten te vervloeken, majesteit!’ zegt
hij gemeen grijnzend. ‘Een vloek te rechter tijd,
helpt jong en oud uit de narigheid!’
De hoftovenaar heeft de gewoonte zijn adviezen op rijm te
zetten.
Dit voorstel krijgt de goedkeuring van de koning.
Ergens in het bergland van Aram
staat een mooi huis met een poort en een binnenplaats. Een kleine fontein
spettert verfrissend water omhoog in een ronde bak, versierd met krullerige
bloemmotieven. Rondom de binnenplaats zijn balustrades, waaronder het heerlijk
vertoeven is in de hitte van de dag. Er zitten een aantal mensen te wachten op
de grote waarzegger. Van heinde en ver zijn ze gekomen
om geluk af te roepen, want als Bileam zegent, dan
zijn ze gezegend en als hij vloekt, dan zijn ze vervloekt, (denken ze).
Natuurlijk hebben ze allemaal hun waarzeggersloon bij
zich. De één heeft een geit aan een touw, de ander een zak bonen of een zelfgeweven tapijtje, een kostbare ring… Vandaag moeten ze
lang wachten voor ze aan de beurt zijn, want er is hoog bezoek, gezanten van Balak, de koning van Moab. En die
gaan natuurlijk voor…
‘Tja,’ zegt Bileam,
terwijl hij nadenkend over zijn baard streelt, ‘het volk Israël vervloeken, dat
is niet zo makkelijk. Iedereen weet, dat het niet te stuiten is sinds de Here God hen op een geweldige manier uit Egypte leidde…’ Hij overlegt bij zichzelf, tikkend met zijn vingers
op de leuning van zijn stoel. ’t Is een belangrijke opdracht, waar een
behoorlijk loon tegenover staat. Er moet toch wel ergens een manier zijn om een
vloek uit te spreken. Per slot deden er ook verhalen de ronde over gifslangen
en honderden doden…
‘Heren,’ zegt Bileam
dan, terwijl hij zijn gasten zijn lege handen toont, ‘Ik weet het niet. Ik moet
er een nachtje over slapen. Morgenochtend hebt u mijn antwoord. Wees intussen
mijn gast. Het zal u aan niets ontbreken.’
Die nacht komt de boodschap van God luid en duidelijk: ‘Ga
niet met die mannen mee om Israël te vervloeken, want het volk is gezegend.’
Bileam heeft pech en het geld? Daar kan
hij wel naar fluiten.
Op een uitkijkpost hoog in de bergen van Moab
heeft koning Balak zijn tenten opgeslagen. Zo kan hij
Israëls opmars goed in de gaten houden. Het wordt echt hoog tijd dat de
waarzegger komt om het volk te vervloeken. Zenuwachtig banjert hij met grote
stappen heen en weer. Gelukkig ziet hij zijn mensen al van verre aankomen. Zou die
waarzegger erbij zijn? Met zijn hand boven zijn ogen tegen de zon probeert hij
hem te vinden…
Maar nee hoor! Bileam is er
niet bij en de boodschap is ook negatief.
Je begrijpt dat Balak vreselijk
geïrriteerd raakt.
‘Is die vent helemaal gek geworden!’
schreeuwt hij en slaat met zijn vuist op zijn borst, ‘Ik ben de koning en hij
heeft maar te doen wat ik zeg!… Is de beloning soms te laag? We zullen een
grotere en zwaardere delegatie sturen en nog meer goud in het vooruitzicht!’
En zo gebeurt het.
‘Tsjonge.’ denkt Bileam als de stoet voor zijn deur stilhoudt. “Moet je
kijken wie daar staan! Allemaal bobo’s en wat ze aan
cadeaus bij zich hebben, dat houd je niet voor mogelijk!’
Een omroeper leest een bericht van de koning voor: ‘Zo zegt Balak, de zoon van Sippor, de
koning van Moab,
kom en
vervloek Israël voor me. Ik zal je rijk belonen. Hier heb ik echt alles voor
over..’
Maar er is er één waar Bileam nog
meer ontzag voor heeft als voor de koning van Moab.
Daarom recht hij zijn rug en zegt dapper: ‘Al kreeg ik kamers vol goud en
zilver, ik kan echt niet tegen Gods bevel ingaan.’
De gezanten schrikken. Hoe moeten ze dit aan de koning
overbrengen? Ze voelen zich niet op hun gemak. Een koning krijgt altijd zijn
zin. Altijd!!
Bileam begrijpt hun verlegenheid. En hij
heeft met hen te doen. Zou hij God echt niet op andere gedachten kunnen
brengen? Misschien heeft hij Gods woorden niet goed verstaan. Het loopt al
tegen de avond. Als ze nu nog een nachtje willen overblijven, wie weet…
En daar ligt Bileam nu. Met open
ogen tuurt hij de nacht in.
‘Here God, wat moet ik doen?’ bidt
hij.
Op een tak van een nabije boom zit een uil. Zijn scherpe
ogen zien elk muisje dat zich buiten z’n holletje
waagt.
‘Oehoe, oehoe!’ roept de uil
Is dat een goed voorteken of een slecht?