Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Er zijn verschillende valkuilen waar een mensenkind in kan
lopen.
1. Je hebt de valkuil van: IK WIST HET NIET
Om daar niet in terecht te komen heb je goede ouders en opvoeders
nodig, want een kind kan niet alles weten.
2. Er is ook de valkuil van: IK VIND HET LEUK OM TE DOEN WAT
NIET MAG.
Gelukkig heb je dan nog mensen die je waarschuwen.
3. O ja, en vergeet niet die grote valkuil van: ZE DOEN HET
ALLEMAAL
Daarvan zegt de bijbel: Je moet de
meerderheid in het kwade niet volgen.
Maar dit verhaal gaat over een koning die uit angst in een
valkuil sprong, waarvoor hij andere mensen had gewaarschuwd. Het is… koning Saul. Als jij nou goed oplet, dan weet je in ieder geval hoe
het niet moet. Ik waarschuw je van te voren. HET LOOPT FOUT AF!
Er is een eeuwenoud liefelijk plaatsje in Israël. Er zijn
palmbomen, citroenbomen, liefelijke heuvels, beekjes, bergen. Wie het bezoekt
komt helemaal tot rust. Er heerst daar een sfeer… Het lijkt wel God je nieuwe
kracht geeft. Daarom noemen de mensen het Sunem,
DUBBELE RUST wil dat zeggen. Er werd zelfs een liedje over het dorpje
geschreven. ‘Sunem, o Sunem,
jouw beek is vol water…’
Maar dat liedje zingt momenteel niemand meer. Weet je waarom
niet? De Filstijnen hebben Sunem
namelijk bezet. Het is oorlogsgebied geworden. Waar vrede heerste, gonst het nu
van buitenlanders, die paraderen met allerlei wapentuig.
De Verenigde Filstijnse Beweging
heeft grote troepen op de been gebracht om eens en
voorgoed met Israël af te rekenen. Het zijn echte terroristen. Is er dan
niemand die hen wegjaagt? Koning Saul misschien, die
lange knappe koning van Israël? Hij kan toch ook wel een flink leger op de been zetten? Ja, dat doet hij ook. Kijk, daar staat hij
op een heuveltop van het Gilboagebergte. Achter hem
slaat zijn leger hun kamp op.
‘Het zijn er wel heel erg veel, Heer Saul,’
zegt zijn adjudant geschrokken bij het zien van al die vijandelijke legers.
‘…. Inderdaad,’ beaamt Saul
onzeker. ‘Ik heb hier geen goed gevoel over,…! Was
Samuel nog maar in leven, dan kon ik hem om raad vragen.’
‘Waarom raadpleegt uzelf de Here niet?’ vraagt een officier die erbij is komen staan.
‘Wat denk je? Dat heb ik al lang gedaan. God heeft me
verlaten en dat maakt me doodsbang. Hij antwoordt me niet in een droom en ook niet door andere profeten.’ Saul
probeert grip te houden op de situatie en dat lukt niet. Daardoor wordt hij
opstandig. Hij rukt zijn koninklijk hoofddeksel af en smijt het woedend op de
grond. ’t Is allemaal Gods schuld, vindt hij. Als er
ergens een hemeldeur was, dan zou hij nu echt zijn vinger op de bel houden tot
God wel open moest doen. Tring, tring!! Groot alarm. Maar nu moet hij alles zelf maar uitzoeken.
Ineens krijgt Saul een ingeving.
Niet lang geleden heeft hij in een radicale bui alle waarzeggers het land uit
laten zetten. Achteraf gezien stom, vindt hij, want waarzeggers hebben een
lijntje met boven. Ja, God verbiedt spiritisme, het is een gruwel in zijn oog,
maar dit is een noodsituatie, toch? Misschien zijn ze er één vergeten.
‘Zeg, eh… mannen, weten jullie
of…’ zijn stem wordt een zacht gefluister…
Het is donker in de legertent van Saul,
er brandt alleen maar een kleine olielamp.
‘Kan het zo? Loop ik niet in de gaten?’ fluistert een vreemd
geklede vrouw met een rare lage mannenstem.
‘Doek voor uw mond houden, Heer Saul,’ fluistert de adjudant die er bij staat, ‘Zo, met één hand.
Alleen uw ogen moeten te zien zijn en met uw andere
hand uw rok een beetje optillen, anders valt u erover. Juist, zo!…’
‘En laat ons het woord maar doen.’ zegt de officier, die ook
meegaat. Hij tilt een punt van het tentdoek op om te kijken of alles buiten
veilig is en geeft een teken met zijn arm.
De koning gaat vermomd naar Endor
om in het diepste geheim een spiritiste te
raadplegen.
Als je dingen doet die niet mag, dan ben je altijd op je
hoede. Je hoort elk geluidje en je schrikt al als er een vogel opvliegt.
Xara, de waarzegster gaat rechtop
zitten op haar slaapmatras als er een zacht klopje op haar deur klinkt. Mensen?
Zo laat in de nacht? Zijn het soldaten van Saul, die
haar komen oppakken, zoals de andere waarzegsters overkomen is? Met bevende
vingers schuift ze de grendels van de deur en kijkt door een kier. O, gelukkig,
het zijn maar klanten, die zelf ook doodsbang zijn. In het maanlicht ziet ze
twee mannen en een vrouw, die haar hulp nodig hebben.
‘Kun je voor ons contact maken met de andere kant?’
fluistert er één zacht. De andere man kijkt over haar schouder heen of er
verder niemand binnen is. En de vrouw stapt zo maar, brutaal, over de drempel Xara’s halfdonkere huisje in.
Met een vreemde lage stem zegt ze: ‘Kun je voor mij de geest
van een dode oproepen?’
Zonder licht aan te steken sist Xara:
‘Hé mensen, ik heb jullie door. Jullie willen mij erin laten lopen. Je weet hoe
streng er opgetreden wordt tegen lui zoals ik. Je denkt toch niet dat ik gek
ben?’
De vrouw duwt haar echter ruw op een kruk en snauwt: “Hou op
met dat geleuter. Laat Samuël
opkomen, vooruit, ik zal je er goed voor belonen.’
In het halfduister ziet ze… een baard en een snor. Het is
helemaal geen vrouw. Het is…
Je wilt gewoon niet weten hoe zo’n spiritiste geesten oproept. Toverspreuken, skeletjes van
rattenkoppen, een kraaienpoot, een beetje nijlpaardenpoep in een potje,
spiegeltjes uit Egypte en mummies van dooie katten... En dat alles bij het
licht van een olielampje. Je wordt er misselijk van. De mannen wachten in
spanning af wat er gaat gebeuren.
Plotseling klinkt er een ijselijke kreet. Ze springen van
schrik een meter van de grond.
‘Stil, stil nou toch, vrouw. Als de buren het horen.’
Xara
hoort hun waarschuwing niet, ze rolt met haar ogen en is hevig van streek.
‘Oi, wee mij! Jij bent… koning Saul. Ja, je hebt me bedrogen!!’
Ze slaat zich met twee vuisten op de borst en trekt de haren uit haar hoofd.
‘Ik zie, ik zie, een oude man, gehuld in een mantel, uit de grond omhoog
komen…’
Hallo, kun je gelijk zien wat een nep het is. Samuel is in
het Paradijs, waar Abraham en alle gelovigen zijn. Die zit niet als spook in de
grond! Maar goedgelovige Saul zegt: ‘Jaja, dat is hem, Samuël… ‘
Hij valt op zijn knieën met zijn gezicht op de grond.
Met een ijzingwekkende grafstem roept de geest boos: ‘Waarom
heb je me laten opkomen?’
Saul gaat weer rechtop staan en
vertelt zenuwachtig wat er aan de hand is.
‘De Filistijnen zijn ten strijde getrokken en God is van mij
geweken. Wat moet ik doen. Ik ben radeloos. Help me!!’
Dan vertelt de geest Saul, dat het
allemaal zijn eigen schuld is. God heeft David in zijn plaats aangewezen om
koning te zijn. En…. morgen zullen Saul
en zijn zonen gedood worden.
‘Plof!’
Saul valt flauw. Dit bericht is teveel
voor hem. Daar komt nog bij dat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten
heeft…
De volgende dag ontbrandt de strijd. De Filistijnen zitten Saul en zijn zonen op de hielen. Ze doden Jonatan, Abinadab en Malkisua.
Saul ziet het voor zijn ogen gebeuren.
Het is een nachtmerrie. Hij weet dat ook zijn laatste uur is geslagen.
‘Dood mij,’ zegt hij tegen zijn wapendrager en reikt hem
zijn zwaard aan, maar de man weigert ontzet.
Dan doodt Saul zichzelf. Het is
over en uit voor de koning die in de valkuil van spiritisme viel, waarvoor hij
de mensen zelf had gewaarschuwd.