Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Stoere macho’s, in elke groep, op elke school zitten ze.
Tijdens de les zijn het stoorzenders met hun domme opmerkingen. Op de
speelplaats staan ze branieachtig te doen. Altijd zwermen er bewonderaars om
hen heen, die proberen om nog grotere macho’s te zijn dan zij. Ze pesten de
zwakkeren en gaan van kwaad tot erger.
Maar nou is de vraag: DEZE GEKKEN EN DWAZEN HOE REDDEN ZE
HET VERDER IN HUN LEVEN? Halen ze diploma’s, krijgen ze goeie
banen? En hoe denkt God uiteindelijk over ze? In het volgende verhaal zie je
hoe het afloopt met zo’n domme praatjesmaker. Gelukkig
had hij een zeer wijze vrouw! Het gebeurde in de tijd dat David moest vluchten
voor Saul, toen hij een soort ‘rebellenleider’ was
met zeshonderd man onder zich.
‘David, kijk eens wat we hebben gevonden! Lekker om vanavond
te braden boven het spit.’
Een magere ongeschoren vluchteling, uit het legertje van
David, staat als een donker silhouet bij de ingang van de spelonk, waar ze voor
de nacht onderdak hebben gevonden.
Een aantal nieuwsgierigen staat meteen op en kijkt wat er
aan de hand is. Is er iets te eten? Nou, daar zijn ze allemaal wel voor te
vinden. Want om voor 600 man elke dag iets te bikken bij elkaar te zoeken, dat
valt niet mee. Ze zijn dan ook stuk voor stuk vel over been.
Hun kameraad bij de deur draagt een jonge ram.
‘Wat vind je,
aanvoerder?’
David bekijkt het dier vakkundig.
‘Geef eens een beetje olie uit dat kruikje daar,’ zegt hij
nadenkend. Hij wrijft de neus en de snuit van het beest in met de geurige
vloeistof. ‘Dat is om de vliegen weg te houden, anders wordt hij gek van de
jeuk. Je bent per slot herder of niet.’ lacht hij.
David voelt aan de pootjes en kijkt naar de vacht.
‘Mooi gezond beest,’ zegt hij dan,
‘maar…. Hij moet terug naar de eigenaar en dat is…’
Hij wijst op een brandmerk met de hebreeuwse letter nun
erin. ‘Nabal, die miljonair uit Karmel.’
‘Nou die zal hem vast niet missen. We zouden wel gek zijn als
we hem braaf terug zouden brengen.’ roepen er een paar.
Simeon, die altijd heel vroom praat, maar als het erop
aankomt het niet zo nauw neemt, slijmt: ‘Dit is een geschenk van God. Laten we
Hem ervoor danken.’
David kijkt hem met een opgetrokken wenkbrauw aan. ‘Hij gaat
terug en jij mag het doen, Simeon.’ zegt hij cool. ‘Luister mannen, we kunnen
ons nu wel te buiten gaan aan een klein stukje schapenvlees, want wat is 1
schaap voor 600 man, maar over een paar weken is het Schaapscheerfeest.
Zeker weten dat we allemaal uitgenodigd worden en dan kun je je buik vol eten, omdat we in een goed boekje staan bij de
herders van Laban. ‘En… eerlijk duurt het langst.
Niet jatten is het achtste gebod van de leefregels van
God. Oké?’
Het is volle maan. De schatrijke miljonair Nabal, die wel
3000 stuks schapen en duizend geiten bezit is voor het schaapscheerfeest
naar de Karmel gekomen, waar zijn bedrijf is.
Iedereen buigt voor hem als een knipmes. Hij ziet er dan ook
indrukwekkend uit met zijn dure kleren en gouden ringen. Hij loopt als een
mannetjesaap die andere mannetjes imponeren wil. Naast hem loopt zijn vrouw Abigail. Ze is mooi om te zien en ze heeft een helder
verstand. Eigenlijk past ze helemaal niet bij die patser,
maar ja, wat wil je? Meisjes worden uitgehuwelijkt. Ze hebben geen inbreng in
de keuze van een echtgenoot. Gelukkig kent ze de God van Israël.
Het feest is in volle gang, er is drank en lekker eten er
wordt gedanst en gelachen. Alle buren en kennissen zijn uitgenodigd. Nabal
pocht en schept op. Hij drinkt veel teveel en kust alle mooie dienstmeisjes.
Als hij zich op zeker moment omdraait staan er tien magere,
armoedig geklede mannen voor hem. Ze brengen een boodschap van David over. ‘Ik
wens u, uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. Ik heb
gehoord dat u een schaapscheerfeest geeft. Mijn
mannen zijn het hele jaar als een muur om uw kuddes geweest, vraagt u het maar
aan uw herders. Nu zou ik u willen vragen of u mijn knechten daarvoor wilt
belonen met wat u missen kunt.’
De knechten buigen diep en wachten af wat Nabal zal
antwoorden.
Per slot van rekening is David eigenlijk de koning, want
Samuel heeft hem gezalfd in de plaats van Saul. Dat
hij nu zo vluchten moet komt door de haat van Saul.
Maar Nabal duldt geen koning boven zich. Hij schreeuwt: ‘Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het stikt hier van de slaven die bij hun heer weggelopen zijn. Denken jullie heus dat ik mijn eten aan de eerste de beste onbekende geef?’
Wat denk jij dat er gebeurt als David dit hoort? Jij denkt zeker dat hij met zijn harpje in een hoekje gaat zitten
zingen. Tuurlijk niet. De stoom komt uit zijn
oren. Hij is een man met temperament uit het Midden-Oosten en Nabal heeft hem
op zijn ziel getrapt. Dit is een kwestie van EERWRAAK. Hij briest tegen zijn
manschappen: ‘Die gek is er geweest. Te wapen allemaal. Ik kill
hem!’
Owee, dit gaat finaal mis!
Maar God is er ook nog. Om David te behoeden voor moord zet
Hij zijn VREDESMACHT in met een VROUW aan het hoofd. Kijk, daar jaagt de mooie verstandige
Abigaïl al op haar ezel, richting de kloof met een
hele groep knechten achter haar aan. Toen ze haar met veel verontwaardiging
hadden verteld van Nabal’s grove beledigingen aan het
adres van David, begreep ze meteen het gevaar. Ze liet snel broden, wijn,
gedroogd vlees, geroosterd graan, rozijnen en vijgen op ezels laden en ging
zonder met haar man te overleggen op weg. O, als ze maar niet te laat komt, als
David nog maar voor rede vatbaar is…
‘God, geef me wijsheid, alstublieft!!’
bidt ze.
David komt van de andere kant van de berg aanjagen, opgefokt
natuurlijk. Het maalt door zijn kop: ‘Wat denkt die vent wel? Heb ik daarvoor
al die tijd zijn bezittingen beschermd? Nog niet één schaap is hij kwijt en wat
krijg ik? Stank voor dank! Ik zweer dat ik hem ga doden en al die lui die…’
Boem! Een bijna-botsing.
David grijpt naar zijn zwaard, klaar tot aktie.
Maar tot zijn stomme verbazing ziet hij niet Nabal, maar het liefelijkste wezen
dat er op twee benen rondloopt. Abigail! Wouw, is dat
de vrouw van die lomperik? Hij is diep onder de indruk en zijn woede ebt weg. Zeker als hij al die geschenken ziet en ze op haar
knieën neervalt voor hem.
‘’t Is allemaal mijn schuld, mijnheer, ‘ zegt ze tactisch,
‘schenk geen aandacht aan die praatjesmaker van een Nabel. Hij is een onbenul,
zoals zijn naam al zegt. Had ik uw boden maar zelf te
woord kunnen staan.’
David steekt galant zijn hand uit om haar weer overeind te
helpen. Ze veegt wat vuil van haar rok en kijkt hem ernstig aan.
‘Gelukkig heeft God u ervan weerhouden om het recht in eigen
hand te nemen, mijnheer David, want als u eenmaal koning bent wilt u toch geen
bloed aan uw handen hebben…?
Uw leven is veilig bewaard in de hand van de Almachtige en uw
vijanden zullen het verliezen.’
Zo, die zit, precies de juiste woorden op de juiste plaats.
Die lieve stem, haar pleiten voor geweldloosheid, alle
grimmigheid van David is op slag verdwenen.
De vrede is weer getekend. Hij stamelt onhandig wat
dankwoorden, omdat ze hem behoedde voor een grote fout en iedereen haalt
opgelucht adem.
Als Abigail thuiskomt
ligt Nabal stomdronken in de tent.
‘Oké, laat hem maar zijn roes uitslapen,’
denkt ze, ‘morgen zal ik alles vertellen. Het had hem zijn kop kunnen kosten.’
Natuurlijk heeft haar man de volgende ochtend een kater.
Maar dat hij door zijn stommiteit nog maar net ontsnapt is aan een bloedbad,
kan hij zichzelf niet vergeven. Hij krijgt van schrik een hartaanval en sterft.
Een paar maanden later is Abigail
alweer de bruid. Ze kreeg een koninklijk aanzoek. Je raadt zeker wel van wie.
Precies van … David. En dit keer mocht ze wel zelf beslissen met wie ze
trouwde.