OT59 - De uiteindelijke overwinnaar
ben IK!
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het is heel
stil in het grote paleis van de Farao. Iedereen probeert zo min mogelijk lawaai
te maken. De kamerdienaars lopen op pantoffels en in de keuken zet men
voorzichtig de pannen op het vuur. De kinderen mogen geen tikkertje spelen en
lachen. Weet je hoe dat komt?
De Farao is
in de rouw.
Op zijn
hoge en verheven troon zit heerser van Opper- en Neder Egypte. Een slanke man
met een gestreepte hoofddoek om waarboven een gouden kroon met een slangenkop.
Zijn ene gespierde blote arm rust op de gouden leuning en met zijn andere arm
ondersteunt hij zijn kin.
Het lijkt
wel of hij uit het wassenbeeldenmuseum komt. Geen teentje beweegt, geen
vingertje wordt verplaatst. Of hij bedroefd is of boos, niemand kan het zeggen.
De Farao is een ster in het verbergen van zijn emoties. Hij heeft altijd een
pokergezicht.
Maar van
binnen, onder zijn ronde gekleurde kralenkraag, woedt en stormt het. En boze gedachten vliegen als vechtende kraanvogels door zijn
kaalgeschoren kop!
Hoe is het
mogelijk! HIJ DE GODENZOON, DIE NIET GEBOREN IS MAAR UIT DE HEMEL IS KOMEN
VAREN OVER DE NIJL, HEEFT DE NEDERLAAG GELEDEN!! Zijn
oudste zoon wordt binnenkort als mummie bijgezet in een piramide. Walgelijk
waanzinnig! En het ergste is nog wel, dat hij is verslagen door de god van een
slavenvolk. Wilde woede borrelt in zijn binnenste omhoog, maar die woede kan er
niet uit. Alleen een klein trekje om zijn mond verraadt zijn woede.
Bij de tien meter hoge
marmeren pilaar vóór in de ontvangstzaal is een man komen staan met gebogen
hoofd. Hij wacht tot de Farao toestemming geeft dat hij verder mag komen. De
opperkamerheer heeft hem ook zien staan. Hij zoekt oogcontact met de Farao om
te weten of de man wel of niet dichterbij mag komen. Eén kleine beweging van
diens wijsvinger is genoeg om te zeggen: ‘Laat de koninklijke spion naderbij treden.’
De
binnengekomen man loopt snel naar voren en valt plat op zijn gezicht voor zijn
meester.
“Farao, ik
ben net terug van het verspieden van de Hebreeërs. En ik heb goed nieuws. Het
slavenvolk is naar het zuiden getrokken, richting Rietzee, niet langs de weg
van de Filistijnen. Ze zijn nu al verdwaald, wat kun je ook anders verwachten
van een onontwikkeld herdersvolk. Er zit geen greintje gezond verstand in hun
hersens…’
‘Zwijg!…’
roept de opperkamerheer. ‘ De Farao kan zelf wel conclusies trekken. Als je
verder niets meer te zeggen hebt, kun je vertrekken.’
Farao heeft
zich nog steeds niet bewogen.
’t Is
druk vandaag, want alweer komt er een man op audiëntie. Het is de architect van
de twee voorraadsteden Pythom en Ramses.
Hij maakt alleen maar een vlugge kniebuiging voor de Farao.
“Majesteit,’ roept hij boos, zonder op toestemming te wachten, ‘met
alle respect, zo kan ik niet werken. Dit is gekkenwerk. De hoogverheven heerser
heeft een termijn gesteld dat mijn werk gedaan moet zijn, maar nu alle slaven
weg zijn, ligt de hele bouw stil!’
‘De geachte
architect heeft zijn boodschap goed overgebracht. Hij kan gaan!’ roept de
Opperkamerheer snel. Hij ziet de bui al hangen. Dit kan Farao er niet meer bij
hebben.
Even blijft
het stil in de troonzaal. Je hoort slechts het zoemen van een bromvlieg en het
ruisen van de grote waaiers achter de troon.
Dan
onverwacht komt er een diepe grommende stem vanaf de troon:
‘DE
UIT-EIN-DE-LIJKE OVER-WINNAAR BEN IK!!!’
O, het is
de Farao. Hij spreekt!! De lierspeler, die al die tijd
zachte muziek had zitten spelen geeft geschrokken een driftige roffel op alle
snaren, wat iedereen wakker schrikt. En de trommelslager
doet er nog een duitje bovenop.
Farao
SPREEKT EN BEWEEGT! Nu is hij geen wassenbeeld meer. De agressie vindt een
uitweg.
‘Roep de
generaal van de cavalerie hier, onmiddellijk!’ klinkt zijn bevel.
Binnen het
uur zitten 600 tot de tanden toe bewapende cavaleristen op de strijdwagens. Ze
jagen de raspaarden op met lange zwepen: “Voort, voort, de slaven achterna. We
halen ze met geweld weer terug!!’’ is de yell.
Klopperdeklopperdeklop!
Hoor je die
paardenhoeven neerkomen op de zandweg?
Mouni, de
Egyptische kampioen paardrijden is de groep zeker een half uur voor. Hij
verkent de weg. Zodra hij een belangrijke boodschap voor de Farao heeft, stapt
hij af en schrijft een teken op een steen, waarna hij weer snel op zijn paard
springt.
Net was er zo’n moment. ‘Hebreeërs verdwaald,
volg pijlen,’ liet hij als boodschap achter.
Hier en
daar verzamelt hij wat informatie bij rondtrekkende bedoeïenen en zet zijn
pijlen dan richting de Rietzee. ‘Pi-Hachiroth’
schrijft hij op een grote rots.
Op die manier
is het voor Farao en zijn ruitervolk gemakkelijk om de weg te vinden.
Tegen de
avond staat Mouni op een heuveltop en bekijkt de
verrichtingen van het volk. Ja hoor! Ze zitten als ratten in de val. Dat wordt
een makkie.
‘Een makkie,’ denkt de Farao ook, als hij na een uurtje of wat
met zijn ruiterbende bij dezelfde heuvel aankomt. ‘Dit keer heeft Jahweh hen
niet kunnen helpen. Mooi zo. Over een paar uur zal hij weer op de terugweg zijn
met zijn buit! Farao’s blik wendt zich naar de verrichtingen van de priester
van Ra, die de avondrituelen uitvoert, gebeden opzegt, voordat de zon
ondergaat.
Maar zo
simpel als het leek was het toch niet. Er komt een soort dikke mist opzetten,
zodat de Prr-mensen, zoals de Hebreeën worden
genoemd, omdat ze bij het schapenhoeden steeds prr
roepen, niet meer te zien zijn. Dat wordt minstens een dag vertraging. Maar
goed, daar komen ze ook wel overheen.
Mouni
loopt al een tijdje met de gedachte om te proberen dichter bij de Hebreeën te
komen. Als het hem lukt en hij met belangrijke informatie bij de Farao aan komt
zetten, wacht hem een grote beloning. Slim als hij is bindt hij lappen om de
poten van zijn paard om het geluid te dempen en voert zijn dier aan de leidsels
mee de mist in en de nacht. Kloppekloppekloppe.
Doodse stilte, mist en duisternis alom.
Tegen de
ochtend is hij terug, total loss.
‘Farao!
Farao! Heer van Opper en Neder Egyp…’
Half
struikelend en naar adem happend valt hij de tent van Farao binnen.
‘Meester, er is … het is… magie… een hevige
wind heeft een pad in de zee gemaakt en de Hebreeën…. hhh…lopen… naar de overkant!!
En die wolkkolom daar… is aan de andere kant vurig verlicht!!’
Het bericht
slaat in als een bom. Farao holt woedend naar buiten, springt op zijn raspaard
en mobiliseert zijn leger.
De
wolkkolom is aan het wegtrekken in de richting van de zee. Je kunt nu al de
rivier zien. Ja, wonder van alle hemelse wonderen: DAAR IS EEN PAD IN DE RIVIER!! Aan weerszijden van dat pad rijst het water als een muur
omhoog.
‘Aanvallen,
machtig leger van Egypte,’ roept Farao, ‘Wat slaven
kunnen kunnen godenzonen ook. DE UITEINDELIJKE
OVERWINNAAR BEN IK!!’
Na tien
plagen en de dood van zijn eerstgeboren zoon buigt hij nog niet voor de God van
Israël.
Oorlogsgeschreeuw,
knallende zwepen en hinnikende paarden. Schrikaanjagend flitst Farao’s leger
naar voren. Bij de zee gekomen springen de paarden met een sierlijke sprong op
het laaggelegen pad door de Rietzee. Ze springen hun dood tegemoet.
‘Als die
rare wolk er maar niet zou zijn,’ denkt de Farao, jagend over het mysterieuze
pad, ‘dan kon hij de slaven meer angst aanjagen…’
En even
later: ‘Er is toch iets raars met dat ding. Kijk er flitsen vurige stralen
vanaf… Er lijkt wel een boos gezicht in te zitten, dat hem aanstaart… Wouw! Dit
is echt eng! Dit is…. WEGWEZEN!! Snel.’
Farao keert
zijn strijdwagen om, waardoor de achteropkomende ruiters beginnen te vallen,
steigerende dieren, gehinnik, doodsnood. Dit is dominee D day
voor God.
Er staat er
geen één meer overeind.
‘Zee, Ik
beveel je, stroom weer terug!’ klinkt het machtige bevel van God.
Met
donderend geraas stort de watermuur in. Bovenop al die paarden, wagens en
ruiters. Bovenop Farao, de Heer van…
Blupblup.
Hier en
daar een hand die omhoog steekt boven de golven. Daar een paardenkop en
trappende poten. Een omgekeerde helm drijft stroomafwaarts…
En dan
stilte. Doodse stilte.
Aan de
overkant van de rivier barst een applaus los voor de Here,
onze God, die de uiteindelijke overwinnaar is. Halleluja!