OT58 - David wil de tempel bouwen 1 Kron.17,22,28
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Koning
David is aan het verzamelen, dat weet iedereen. Hij verzamelt spijkers en
koper, hout en goud, edelstenen en zilver. De mensen uit Jeruzalem fluisteren
erover onder elkaar.
‘Waar heeft
de koning dat voor nodig?’ zeggen ze hoofdschuddend.
‘Gaat hij
al weer een paleis bouwen? Hij woont nog maar net in zijn nieuwe paleis…’
Ze zeggen
dat hij in zijn vrije tijd vaak zit te tekenen en te overleggen met
bouwmeesters. Maar wat? Nieuwsgierig probeert men de persoonlijke slaven van de
koning uit te horen. Maar veel wijzer worden ze er niet van. Niemand komt ooit
te zien wat David tekent. Een van de slaven, die de spullen moest opbergen in
een kist, weet alleen te vertellen, dat het gaat om een bouwwerk met hoge
deuren en gordijnen…
Zodra er
weer een lading van het een of ander binnenkomt staan
er tientallen nieuwsgierige nietsnutten bij de ingang te gluren wat het is…
En waar
laat de koning het allemaal? De kelders van het paleis liggen nu al stampvol. Speciale, goedbeveiligde schuren worden er
bijgebouwd. Ze kunnen de kostbaarheden nauwelijks bevatten. Als een lopend
vuurtje gaat het door het land: Koning David is multimiljonair en hij wil nog
mooier wonen dan hij al doet. Er komt een gebouw, mooier dan alle paleizen van
Egypte.
Maar mensen
die David kennen weten wel beter. David heeft het heus niet hoog in zijn bol.
Hij is alleen erg blij met zijn allerbeste vriend God en voor Hem wil hij het
aller-, allermooiste huis bouwen dat er maar bestaat. Weet je waar hij steeds
maar over piekert?
‘Ik woon in
een cederhouten paleis en God, de Grote Bevrijder, mijn Heer, woont in een
tent! Daar klopt niks van! Ik ga voor Hem een
supertempel bouwen, zoals nog niemand ooit ergens heeft gezien.’
Daarom
verzamelt hij hout, juwelen en schatten.
“Natan, man van God,’ zegt hij op
een keer tegen de profeet Natan, ‘Ik wil voor God een
tempel bouwen. Is dat goed?’
Ja, David
doet zowat niets of hij vraagt eerst naar Gods wil. Daarom noemt de bijbel hem ook: een man naar Gods hart.
‘Doe wat je
hart je ingeeft,’zegt Natan plechtig, ‘God vindt het
goed.’
Maar in
diezelfde nacht spreekt God tegen zijn hem: ‘Nee, Natan,
zeg tegen mijn dienaar David, dat hij voor mij geen huis moet bouwen. Nooit heb
ik in een huis gewoond. Ik ging in tent en tabernakel van de ene verblijfplaats
naar de andere. Overal in Israël heb ik rondgetrokken en heb ik ooit aan één
van de leiders van Israël gevraagd om voor mij een huis te bouwen? Nee toch?
Zeg tegen mijn dienaar David: Hoor eens, ik heb je achter de schapen vandaan
gehaald om mijn volk te leiden. Ik heb je met van alles en nog wat geholpen en
al je vijanden verjaagd en nu ga Ik voor jou een huis bouwen, een koningshuis.
Net andersom. Als jij dood bent zullen je kinderen je opvolgen en het
koningshuis van David zal voor eeuwig zijn, want er zal zelfs een koning uit je
voortkomen die Mijn Zoon zal heten. Zijn troon zal boven alles zijn en zijn
koninkrijk is voor eeuwig!’
Tja, als
jij God een cadeautje wil geven, dan geeft de Heer een nog veel mooier cadeau
aan jou.
Natan
gaat gauw naar David om het het schitterende nieuws
te vertellen.
Als hij is
uitgesproken is David sprakeloos. Het kippenvel staat op zijn armen. Wat een
prachtige belofte!!
Zonder zich
nog verder om Natan te bekommeren rent hij naar de
tent van het heiligdom van God, knielt op zijn gebruikelijke gebedsplek en bidt
hakkelend van opwinding, terwijl de tranen over zijn gezicht rollen: ‘Heer,
mijn God, wie ben ik, dat u mij zover hebt gebracht… U hebt mij gesproken over
de verre toekomst van mijn koningshuis. U hebt mij uitgekozen voorvader te zijn
van uw Zoon. Wat kan ik verder nog zeggen. U kent mij door en door!… Werkelijk,
er is geen andere God als u. Zoals u voor mijn volk zorgt,…
Wij zijn voor altijd aan u toegewijd en u bent onze God! Wat een grootse
toekomst… U bent het die zegent. U bent gezegend voor altijd… Amen’
Na deze
gebeurtenis gaat David nog veel meer spullen klaarleggen voor de tempel. Hij is
niet meer te stoppen.
Zelf mag
hij wel niet de tempel bouwen, want hij heeft teveel bloed aan zijn handen,
maar verzamelen voor de bouw mag wel. Na hem zal zijn zoon Salomo regeren, zijn
naam betekent Vrede. Nu is hij nog klein, maar eens komt de tijd…
Die komende
tempel moet zo groots en indrukwekkend worden, dat hij over de hele wereld zal
worden geroemd, daarom is er veel werk aan de winkel.
‘Klopklopklop,’ hoor je de steenhouwers
hakken? Mooie
grote stenen voor de tempelmuren…
Zie je het
vuur branden waarop de spijkers en klinknagels worden gesmeed?
En daar in
de haven meren boten uit Syrië af, volgeladen met boomstammen van cederhout.
Het is een
drukte van jewelste. Slaven sjouwen,… de
voorraadschuren worden gevuld. En nu weet iedereen in het land waarom. Er komt
een tempel voor de Here God.
Die
beloofde nakomeling van David, die koning van vrede, die Zoon van God genoemd
worden zal, is onze Jezus. Wist je dat Hij ook een tempel bouwt voor God? Het is de
gemeente, het huis, waarin jij en ik als levende stenen functioneren. Wij
hoeven onszelf niet mooi te maken of ons best te doen.
Jezus heeft alles al volbracht. Wat een mooi verhaal,
hè?