OT56 - IN
HET VUUR VOOR GOD
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het was nog heel vroeg in de morgen. Op het dak van het koninklijke paleis stond Nebukadnessar.
Hij bad met opgeheven handen en open ogen tot de opkomende
zon. Vandaag kon hij zijn gedachten niet houden bij de voorgeschreven woorden. Een
geweldig gevoel van trots kwam in zijn ziel. Daarginds, in de vlakte van Dura, omringd door de schitterende kleuren van het
morgenrood, stond zijn beeld als een donker silhouet. Het was net alsof hij de
godheid zelf was, die neerdaalde naar de aarde. Nebukadnessar
beëindigde zijn gebed. Bedienden schoten toe. De dag was begonnen, zijn
gloriedag. Alle goden in hemel en op aarde en alle regeerders zouden hem de eer
geven.
Ook de drie vrienden van Daniël, Sadrak,
Mesak en Abednego waren
vroeg opgestaan. Ze werden immers verwacht op het inwijdingsfeest
van het Gouden Beeld. Ze baden niet tot de zon. Ze hadden God geloofd met een
psalm, voordat ze op weg gingen.
Het werd een warme dag. Er woei een zuidoostenwind die veel
fijn zand meebracht, dat in neus en keel ging zitten. Je zag kameeldrijvers,
ruiters en draagkoetsen. Je hoorde allerlei dialecten en je rook allerlei
geuren. Etensgeuren vermengden zich met de geur van kamelenmest, zweet en stank
van bedelaars. Soms danste er een vleugje parfum doorheen als een rijke dame
met haar gevolg langskwam. En hoe dichter de drie vrienden bij het gouden beeld
kwamen, hoe drukker het werd. Ze konden nog maar nauwelijks een plekje vinden
waar ze de paarden bij de bedienden konden achterlaten. Te voet ging het
verder. Ze werden verwelkomd door het ontvangstcomité. Zodra ze opgeroepen
werden, gingen ze de koning begroeten. Hij was in een opperbeste stemming en
wist nog precies wie ze waren, dat ze aangesteld waren over het gewest Babel.
Dan werden ze opgeslokt door de menigte genodigden, die zich om het beeld
verzamelden.
Precies op de aangegeven tijd werden de bazuinen geblazen en
een heraut maakte bekend dat een ieder het gouden beeld moest aanbidden als de
muziek ging spelen.
'Ieder, die niet met z'n neus op de
grond de koning aanbidt, zal meteen in het vuur geworpen worden.' klonk het
bevel.
De drie vrienden hoorden het en voelden het bloed uit hun
gezicht wegtrekken. Onwillekeurig deden ze een stapje dichter naar elkaar toe. Mesak fluisterde: 'Hier doen we niet aan mee, vrienden.'
De muziek begon. Een vreselijk lawaai van door elkaar heen
schreeuwende mensen weerklonk, alsof de hel losbrak.
'God, sta ons bij,' bad Sadrak
zachtjes...
Het viel wel op dat ze bleven staan, zo midden tussen de
knielende mensen. Een paar mannen gingen het dan ook meteen aan de koning
vertellen.
Die gaf opdracht hen te halen. Eerst was hij nog
toegeeflijk. Hij wilde hen nog een kans geven om te buigen. Maar toen hij
merkte dat ze vastbesloten waren, werd zijn eerst zo vriendelijke gezicht
gemeen en grimmig.
Hij brulde: 'Wie is de God, die u uit mijn hand zou kunnen
bevrijden?'
De drie vrienden voelden hun knieën knikken. Toch zeiden ze
moedig: 'Als onze God ons wil redden, dan zal Hij dat doen, maar zo niet,... dan zeggen we u nu al vast, dat wij uw goden toch nooit
zullen vereren. We zullen het gouden beeld niet aanbidden.'
Nebukadnessar trok wit weg... Hij beval de oven
zevenmaal heter te stoken. Soldaten gooiden ruwe olie boven in het gat. De
vlammen sloegen wild naar buiten. Een zwarte rook steeg op naar de hemel.
Met touwen vastgebonden werden Sadrak,
Mesak en Abednego met
kleren en al in het vuur geworpen. Degene die dat deden vielen zelf dood neer
van de hitte.
Nebukadnessar keek onbewogen
toe. De god Nergal, van het Dodenrijk en het Verterend Vuur stond
immers aan zijn kant.
Maar God liet zien dat Hij de vrienden kon bevrijden uit het
vuur. Hij liet hen niet alleen. Zelfs de koning zag dat. Verschrikt stond hij
op.
'We hebben toch drie mannen erin gegooid?' riep hij. 'Ik zie
er nu vier lopen. En hen mankeert niets! Die vierde lijkt wel... op een engel!'
Hij liep naar de deur van de oven en riep vol ontzag: 'Sadrak, Mesak en Abednego, knechten van de Allerhoogste God, kom naar
buiten!'
Tot ieders stomme verbazing kwamen ze naar buiten. Van alle
kanten werden ze betast. Hun haar was niet geschroeid en op hun mantels zat
geen vlekje. Er was zelfs geen brandlucht aan hen te ruiken....
'Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego!' zei de koning. 'Er is geen God die zo verlossen
kan.'
Hij geeft het bevel dat niemand oneerbiedig over God mag
spreken, anders zal die persoon in stukken gehakt en zijn huis tot een puinhoop
gemaakt worden...
Hoe zouden de drie vrienden thuisgekomen zijn? Stonden er
drommen mensen aan de kant van de weg? Iedereen wilde hen natuurlijk zien. Van
één ding kunnen we zeker zijn: ze hebben die avond de Heer gedankt.
Als de zon ondergaat staat er een eenzame man op het dak van
het koninklijke paleis. Het
is Nebukadnessar. Hij kijkt naar het oosten. De
ondergaande zon werpt de laatste stralen op zijn beeld, daar in de vlakte van Dura. Het lijkt nu wel een nieuwe ster, maar dat duurt maar
even. Duizenden kleine sterren gaan schijnen. Duizenden goden? Of is er maar
één, zoals de Judeeërs zeggen?
Deze dag was anders gelopen dan hij had gedacht. Niet hij was de machtigste, de allerhoogste. Er was een God, groter en machtiger dan alle goden. Het gouden beeld zou hem er altijd aan herinneren.