OT55 - HET GEHEIME PLAN VAN VADER

Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)

 

Op een ochtend kwamen er grote bulldozers aanrijden. Jan Pieter stond er voor het raam naar te kijken. Hij zag ook een hijskraan met een grote stalen kogel eraan. Daarmee sloegen de werklui tegen de muren van een rijtje leegstaande huizen. Pfammm!

Wat een knal. Hij rende naar zijn vader en vroeg angstig: 'Gaan ze ons huis ook afbreken, pappa?'

Vader glimlachte en haalde een planningskaart tevoorschijn.

'Kijk, Jan Pieter,' zei hij, terwijl hij alles aanwees met zijn vinger. 'Dit hier is ons huis en dat is onze straat. Waar ze nu aan het werk zijn komt een zwembad. Daarom moeten die oude huizen weg.'

Vader wist het zo goed, omdat hij het plan zelf had ontworpen. Hij werkte als planoloog bij de gemeente. Vol verwachting ging Jan Pieter voor het raam staan. Wanneer zou het klaar zijn?

Koning Nebukadnesar had gedroomd. En die droom maakte hem bang. Hij begreep er niets van. Wie kon hem helpen alles uit te leggen? Daarvoor gebruikte God... Nee, kijk zelf maar.

'Goeiemorgen, Majesteit. Hebt u goed geslapen?'

Mizra, de knecht, schuift de gordijnen open zoals elke morgen. Rillend stapt de koning uit bed.

'Br! Wat koud!' zegt hij. Nee, ik heb niet goed geslapen. Ik heb gedroomd. Heel naar!'

De knecht vraagt of de koning de laatste tijd soms te hard gewerkt heeft.

'Nee,' antwoordt Nebukadnesar, 'Deze droom kwam niet van te hard werken of van te veel eten. Het was een venster naar de toekomst.'

Samen lopen ze naar de badkamer. De warme damp slaat hen al tegemoet als de deur opengaat. Mizra voelt of het water goed van temperatuur is en dan stapt de koning in bad. Heerlijk. De warmte doet hem goed. Maar de droom kan hij niet vergeten. Ik zal straks de droomuitleggers laten komen,' denkt hij.

Een tijdje later zit hij op een verheven troon in de troonzaal. Hij trommelt nerveus met zijn vingers op de leuning. Geleerden, bezweerders en tovenaars staan voor hem. Gespannen wachten ze op het moment dat de vorst zal gaan spreken.

'Ik heb een droom gehad,' begint hij, 'En ik wil de uitlegging weten.'

De geleerden knikken begrijpend en vragen beleefd wat hij dan wel gedroomd heeft. Minachtend kijkt de koning op hen neer. Ha! Hij heeft ze door. Ze willen hem maar wat op de mouw spelden. 'Mijn besluit staat vast.' zegt hij. 'Jullie maken mij de droom en de uitlegging bekend of jullie zullen in stukken gehouwen worden en jullie huizen zullen tot een puinhoop gemaakt worden.'

'Wat?' protesteren de geleerden. Dat kan toch niet. Zeg ons toch alstublieft de droom dan zullen wij die uitleggen. Wat u nu van ons vraagt is veel te moeilijk. Zoiets vraagt geen enkele koning van zijn geleerden. Alleen de goden kunnen dat weten en die wonen niet bij de mensen.'

De koning wordt hoe langer hoe bozer.

'Jullie willen tijd winnen, hè? Maar mijn besluit staat vast.'

Hij geeft het wrede bevel om al de wijzen van Babel ter dood te brengen. Zelfs de wijzen die nu niet bij de koning zijn. En hierbij horen ook Daniël en zijn drie vrienden. Als Daniël dit alles hoort, vraagt hij beleefd om uitstel. De koning stemt toe.

Daniël gaat zijn huis binnen met een ernstig gezicht en zegt tegen zijn vrienden: 'We moeten bidden en vragen of God ons die droom openbaart.'

'O, ik ben zo bang! Ons laatste uur heeft geslagen,' kreunt Azarja.

'Hé, wacht even,' sust Misaël, 'Daar beslist Gods nog altijd over, hè!'

'Je hebt gelijk,' stelt Daniël vast, 'Chananja, ga met de anderen naar mijn studeerkamer. Bid uit alle macht tot God. Ikzelf ga naar mijn bidvertrek. En moge God ons bijstaan.'

In die nacht mocht Daniël in Gods plan kijken. Daarom loofde hij de God van de hemel, de God die wijsheid en kennis geeft, die verborgen dingen openbaart. De volgende morgen wordt Daniël voor de koning geleid.

'Kun je mij de droom en zijn uitleg geven?' vraagt deze.

Daniël knikt: 'De verborgenheden waarnaar de koning vraagt, kunnen wijzen u niet vertellen, majesteit. Maar God in de hemel kan dat wel. U droomde over het plan van God. Er was een groot beeld, buitengewoon glanzend en schrikwekkend. Het hoofd was van goud, de borst en de armen van zilver. De buik en de lendenen waren van koper. De benen van ijzer en de voeten van ijzer en leem. Toen raakte, zonder dat er iemand aan te pas kwam, een steen los van de bergen. Die botste tegen het beeld en verbrijzelde het. Tenslotte was er niets meer van over. De steen echter werd groter en groter en vervulde de hele aarde.'

De koning knikt. Ja, zo was het.

'En nu de uitleg.' vervolgt Daniël, 'U, o koning, bent dat gouden hoofd. Na u komen nog veel koninkrijken. Maar eens zullen al die rijken verdwijnen. Dan zal Gods koninkrijk op aarde komen.'

Nebukadnesar staat op en daalt af van zijn troon. Hij knielt zomaar neer voor Daniël.

'Werkelijk,' zegt hij schor, 'Uw God is de God der goden, de Heer der koningen.'

Zoals Jan Pieter in het plan van zijn vader mocht kijken, zo mocht Daniël, als vriend van God, in Gods plan kijken. En ook Nebukadnesar moest het weten: Het koninkrijk van God komt!