Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Op een ochtend kwamen er grote bulldozers aanrijden. Jan
Pieter stond er voor het raam naar te kijken. Hij zag ook een hijskraan met een
grote stalen kogel eraan. Daarmee sloegen de werklui tegen de muren van een rijtje
leegstaande huizen. Pfammm!
Wat een knal. Hij rende naar zijn vader en vroeg angstig:
'Gaan ze ons huis ook afbreken, pappa?'
Vader glimlachte en haalde een planningskaart tevoorschijn.
'Kijk, Jan Pieter,' zei hij, terwijl hij alles aanwees met
zijn vinger. 'Dit hier is ons huis en dat is onze straat. Waar ze nu aan het
werk zijn komt een zwembad. Daarom moeten die oude huizen weg.'
Vader wist het zo goed, omdat hij het plan zelf had
ontworpen. Hij werkte als planoloog bij de gemeente. Vol verwachting ging Jan
Pieter voor het raam staan. Wanneer zou het klaar zijn?
Koning Nebukadnesar had gedroomd.
En die droom maakte hem bang. Hij begreep er niets van. Wie kon hem helpen
alles uit te leggen? Daarvoor gebruikte God... Nee, kijk zelf maar.
'Goeiemorgen, Majesteit. Hebt u
goed geslapen?'
Mizra, de knecht, schuift de gordijnen
open zoals elke morgen. Rillend stapt de koning uit bed.
'Br! Wat koud!' zegt hij. Nee, ik heb niet goed geslapen. Ik
heb gedroomd. Heel naar!'
De knecht vraagt of de koning de laatste tijd soms te hard
gewerkt heeft.
'Nee,' antwoordt Nebukadnesar, 'Deze droom kwam niet van te hard werken of
van te veel eten. Het was een venster naar de toekomst.'
Samen lopen ze naar de badkamer. De warme damp slaat hen al
tegemoet als de deur opengaat. Mizra voelt of het
water goed van temperatuur is en dan stapt de koning in bad. Heerlijk. De
warmte doet hem goed. Maar de droom kan hij niet vergeten. Ik zal straks de
droomuitleggers laten komen,' denkt hij.
Een tijdje later zit hij op een verheven troon in de
troonzaal. Hij trommelt nerveus met zijn vingers op de leuning. Geleerden,
bezweerders en tovenaars staan voor hem. Gespannen wachten ze op het moment dat
de vorst zal gaan spreken.
'Ik heb een droom gehad,' begint hij, 'En ik wil de
uitlegging weten.'
De geleerden knikken begrijpend en vragen beleefd wat hij
dan wel gedroomd heeft. Minachtend kijkt de koning op hen neer. Ha! Hij heeft
ze door. Ze willen hem maar wat op de mouw spelden. 'Mijn besluit staat vast.'
zegt hij. 'Jullie maken mij de droom en de uitlegging bekend of jullie zullen
in stukken gehouwen worden en jullie huizen zullen tot een puinhoop gemaakt
worden.'
'Wat?' protesteren de geleerden. Dat kan toch niet. Zeg ons
toch alstublieft de droom dan zullen wij die uitleggen. Wat u nu van ons vraagt
is veel te moeilijk. Zoiets vraagt geen enkele koning
van zijn geleerden. Alleen de goden kunnen dat weten en die wonen niet bij de
mensen.'
De koning wordt hoe langer hoe bozer.
'Jullie willen tijd winnen, hè? Maar mijn besluit staat
vast.'
Hij geeft het wrede bevel om al de wijzen van Babel ter dood
te brengen. Zelfs de wijzen die nu niet bij de koning zijn. En hierbij horen
ook Daniël en zijn drie vrienden. Als Daniël dit alles hoort, vraagt hij
beleefd om uitstel. De koning stemt toe.
Daniël gaat zijn huis binnen met een ernstig gezicht en zegt
tegen zijn vrienden: 'We moeten bidden en vragen of God ons die droom
openbaart.'
'O, ik ben zo bang! Ons laatste uur heeft geslagen,' kreunt Azarja.
'Hé, wacht even,' sust Misaël,
'Daar beslist Gods nog altijd over, hè!'
'Je hebt gelijk,' stelt Daniël
vast, 'Chananja, ga met de anderen naar mijn
studeerkamer. Bid uit alle macht tot God. Ikzelf ga naar mijn bidvertrek. En
moge God ons bijstaan.'
In die nacht mocht Daniël in Gods plan kijken. Daarom loofde
hij de God van de hemel, de God die wijsheid en kennis geeft, die verborgen
dingen openbaart. De volgende morgen wordt Daniël voor de koning geleid.
'Kun je mij de droom en zijn uitleg geven?' vraagt deze.
Daniël knikt: 'De verborgenheden waarnaar de koning vraagt,
kunnen wijzen u niet vertellen, majesteit. Maar God in de hemel kan dat wel. U
droomde over het plan van God. Er was een groot beeld, buitengewoon glanzend en
schrikwekkend. Het hoofd was van goud, de borst en de armen van zilver. De buik
en de lendenen waren van koper. De benen van ijzer en de voeten van ijzer en
leem. Toen raakte, zonder dat er iemand aan te pas kwam, een steen los van de
bergen. Die botste tegen het beeld en verbrijzelde het. Tenslotte
was er niets meer van over. De steen echter werd groter en groter en vervulde
de hele aarde.'
De koning knikt. Ja, zo was het.
'En nu de uitleg.' vervolgt Daniël,
'U, o koning, bent dat gouden hoofd. Na u komen nog veel koninkrijken. Maar
eens zullen al die rijken verdwijnen. Dan zal Gods koninkrijk op aarde komen.'
Nebukadnesar staat op en daalt af van zijn
troon. Hij knielt zomaar neer voor Daniël.
'Werkelijk,' zegt hij schor, 'Uw God is de God der goden, de
Heer der koningen.'
Zoals Jan Pieter in het plan van zijn vader mocht kijken, zo
mocht Daniël, als vriend van God, in Gods plan kijken. En ook Nebukadnesar moest het weten: Het koninkrijk van God komt!