OT52 - NIET
MEER BANG VOOR DE TOEKOMST
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Dit is het verhaal van twee kinderen, die van de grote
mensen maar steeds hoorden van oorlogen en rampen. Niemand begreep hoe bang ze
daarvan werden. Niemand troostte hen. Maar op een dag hoorden ze goed nieuws. Luister
maar...
Klop! Pats, pets!
'Houd vast, Amos! Houd de mand
goed vast!'
Onder de grote olijfboom op hun erf staat Amos met een mand in zijn handen. Vader slaat de olijven
eraf met een stok en hij moet ze opvangen. Overal om hen heen zijn ook de buren
bezig. Er is een over en weer gaan van roepende stemmen. Elsbet,
zijn vriendinnetje, loopt ook al met manden te sjouwen. In de drinkpauzes
vliegen de nieuwtjes van erf tot erf. 'Heb je het al gehoord van...' gaat het
dan. De laatste tijd zijn de monden vol van de oorlogsdreiging die er is.
Logisch, want de koning van Assur heeft op nog maar zo'n
''t Is Israëls eigen schuld,' zeggen sommigen. 'Dat is hun
straf omdat ze samen met Syrië ons land binnenvielen. De koning van Assur heeft ze een goed lesje geleerd.'
Amos en Elsbet
horen die grotemensenpraat aan. Het maakt hen ernstig
en nadenkend. Of heeft Jesaja gelijk, die profeet van
God, die vaak bij de tempel zijn boodschap uitroept. Hij vertrouwt die koning
voor geen cent.
'Mag ik nog even naar het tempelplein?' vraagt Amos na afloop van het werk aan zijn vader. Het mag en hij
gaat gauw Elsbet ophalen. Ze treffen het, want Jesaja is net in discussie met een paar raadslieden van de
koning.
'Jullie steunen op die koning van Assur?'
roept Jesaja met een boos gezicht. 'Moet je maar goed
doen. Zal ik je eens zeggen wat die bij zichzelf denkt?... 'Haha We hebben Syrië en Israël gepakt en nu gaan we
Jeruzalem te gronde richten. We plukken het leeg als een vogelnest!' Ja heus,
van hem moet je niets goeds verwachten. Hij denkt dat hij regeert. Maar God
gebruikt hem gewoon als een stok om te slaan. En eenmaal krijgt die opschepper
zijn verdiende straf.'
'Wat wil je nou eigenlijk beweren, Jesaja?'
snoeft een van de koninklijke
adviseurs. Hij praat heel bekakt. 'Zal heel Israël dan te gronde gaan? Mooie
boel.'
'Nee,' zegt Jesaja
fel, 'Gelukkig niet. Een rest van ons volk zal zich bekeren. En die zullen niet
meer, net als jullie, steunen op iemand met kwade bedoelingen, maar op de Here.'
Als de zon bijna ondergaat en iedereen naar huis is gegaan
om te eten, zitten Elsbet en Amos
nog op het muurtje na te praten. Ze hebben alles gehoord wat de profeet en de
grote mensen zeiden. Zouden de Assyriërs
echt hier komen? Zal hun straat vernietigd worden, hun
spullen verbrand? Zullen ze moeten vluchten?
'Ik hoop maar van niet.' zucht Amos.
'Misschien hebben mijn vader en moeder wel gelijk. Zij zeggen dat de sterren
ons een fijne toekomst voorspellen.'
Van horoscopen moet Elsbet echter
niet veel hebben. Wij moeten op de Here vertrouwen, Amos,' zegt ze wijs. 'Als we tenminste
bij die rest willen horen. Zullen we morgen weer gaan luisteren?'
Amos knikt.
De volgende dag is het marktdag.
Moeder stuurt hen erop uit om wat fruit, groenten en olijven te verkopen. Ze
zijn al gauw van hun handeltjes af en slenteren dan weer in de richting van de
tempeltrappen. Jesaja trekt op deze marktdag meer
publiek dan anders. De kinderen kruipen tussen de benen van de mensen door om
maar vooraan te komen. Wat zou de profeet nu weer vertellen?
'Het machtige Assyrische leger
komt zeker.' roept Jesaja. Zijn wijsvinger ver
uitgestrekt, stoot hij eruit: 'Ik zie het voor me. Hun kamp is in het noorden
bij Migron. Ze slaan voorraden op bij Michmas, trekken de bergpas over... Voor hen uit vluchten
de doodsbange inwoners van de dichtstbijzijnde stadjes... Gegil, gehuil. Arm
plaatsje Anatot, wat een vreselijk lot staat jou te
wachten. Dichterbij komt het leger tot vlakbij Jeruzalem!...'
Amos staat als aan de grond genageld.
Hij ziet het voor zich. Dreunende laarzen en mantels vol bloed... De hand van Elsbet kruipt in zijn hand, zoekend naar troost. Maar
wacht! Het komt toch nog goed. Jesaja profeteert dat
God zelf gaat ingrijpen. Het enorme leger zal door een ziekte getroffen worden
en Jeruzalem zal gespaard blijven. Gelukkig, de profeet zwijgt. Hij is
uitgeput. Begrijpen de mensen zijn boodschap wel? Lege gezichten kijken hem
aan, ook spottende en lijdende, harde en treurende... Hij gaat op de stoep
zitten, zijn hoofd in de armen... De mensen lopen door. Er is immers niets meer
te beleven.
'Meneer, meneer de profeet...'
Een kleine jongenshand schudt Jesaja
bij de schouder. Hij kijkt op en ziet Amos en Elsbet staan. Verlegen stottert Amos:
'Gaat het verhaal van God nog verder? Wij willen dat weten.'
Meteen verschijnt er een glimlach om Jesaja's
gevoelige mond.
'Echt?' vraagt hij, 'Wat ben ik
daar blij om... Ja, het verhaal gaat verder. Kom, dan vertel ik je van de
Messias...'
Amos en Elsbet
duiken naast hem op de grond. Jesaja slaat zijn armen
om hen heen.
'Luister,' begint hij, 'Die koning
die komen gaat zal heel wijs zijn. En volkomen gehoorzaam aan God. De armen en
verdrukten zal hij beschermen. En als Hij regeert zullen de agressieve mensen
geen kwaad meer doen... Eh... Ik zal maar zeggen: Een
wolf en een lammetje zullen bij elkaar liggen, begrijp je? Er zal vrede zijn
tussen een panter en een geit. Kalfjes zullen veilig kunnen lopen tussen
leeuwen en een klein kind zal op ze passen.'
'En verder?' vraagt Elsbet. Ze
vindt het een prachtig verhaal.
'Stiekeme gemene bedriegers vol dodelijke haat, zullen
ongevaarlijk worden.' zegt Jesaja nadenkend. 'Neem
nou slangen, giftige slangen. Daar zullen zelfs baby's mee kunnen spelen. Snap
je? De hele wereld zal vol zijn van de kennis van God.'
Als die avond de maan als een grote bal aan de hemel staat,
liggen Elsbet en Amos
heerlijk te slapen op hun slaapmatjes. Ze zijn niet meer bang van al die
oorlogsdreigingen waar de grote mensen over spreken, want ze weten: Met God is
er toekomst.