Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Brwam, brrwam, brwammerdewam, brwammerdewammerdewammm!!
Boem, boem, boemberdeboem!
Twee grote legers marcheren op naar Jeruzalem. Het zijn de
legers van Resin, de koning van Aram
en Pekach, de koning van Israël. Zie je hoe grimmig
de gezichten van de soldaten staan? Zie je hun gemene wapens? Help! roepen de inwoners van Jeruzalem. Ze sluiten gauw de poorten
en slaan groot alarm. En koning Achaz? Oei, oei! Die
beeft als een riet.
Een uitval.
Onverwacht, vroeg in de morgen gaan de poorten heel even
open om een compagnie soldaten naar buiten te laten. Ze overvallen de vijand,
die nog ligt te slapen. Even later klinkt er geschreeuw en gekletter van
zwaarden. Hier en daar vliegt iets in de fik.
Pets! Pats, kletterdeboem! De inwoners
van Jeruzalem zien vanaf de muur dat hun soldaten net iets sterker zijn.
'Laten we de watervoorziening eens gaan bekijken,' stelt
koning Achaz zenuwachtig voor aan zijn familie en
raadslieden. 'Stel je voor dat dit een lang beleg gaat worden...'
O, hij is doodsbang voor de agressie van Aram
en Israël. In gedachten gaat hij alle mogelijkheden na om hulp te krijgen. Had
hij maar sterke vrienden. Zou de koning van Assur hem
niet willen komen helpen? Misschien kon er nog iemand door de vijandelijke
linies heen sluipen om hulp te halen. De astrologen moesten dan wel eerst de
juiste dag voor hem uitzoeken.
Boing! Bijna botst hij tegen de profeet Jesaja op, die al op hem stond te wachten met zijn zoontje Schear Jaschub. Die naam
betekent: 'Een restant zal terugkeren.'
De hele stoet houdt meteen halt, want de profeet komt met
een boodschap van God.
'Vrees niet majesteit! Wees niet bang voor deze twee rokende
stukken brandhout. Die Resin en Pekach!
Zo zegt God: Ze zullen uw land niet in bezit nemen. Damaskus
blijft gewoon de hoofdstad van Aram alleen. En wat
Israël betreft: binnen 65 jaar bestaat het niet eens meer.'
Koning Achaz draait zijn hoofd
naar links en klemt zijn lippen op elkaar. Met een breed armgebaar duwt hij Jesaja en Schear Jaschub opzij om zijn inspectietocht voort te zetten.
'Gelooft u me niet?' schreeuwt Jesaja
hem achterna. 'Zo zegt de Here: Als u wilt dat ik u
bescherm, moet u mij wel vertrouwen.'
Vogeltjes begrijpen niks van
oorlogen en spanningen. Op een takje van een sinaasappelboom bij het oude
aquaduct zit een prachtig gekleurd vogeltje, bruin, geel en groen, een
bijenetertje. Het zit een beetje te fluiten en veegt zo af en toe z'n lange bekje schoon tegen een tak. Plotseling vliegt het
op. Vanuit de struiken tegenover hem verschijnen twee roodbezwete hoofden, Jesaja en Schear Jaschub, die via de korte weg naar boven klommen. Net op
tijd. Kijk, daar op de weg komt koning Achaz en zijn
hofstoet aan. Wat zijn ze verbaasd dat Jesaja
hen voor is.
'Begint hij nou al weer met zijn rare voorspellingen?'
denken ze. Jazeker. Luister maar.
'Majesteit,' Jesaja's opgeheven
vinger prikt in de richting van de koning. 'U moet God vertrouwen. Vraag maar
om een teken. God zal een wonder doen om u te helpen.'
De koning wimpelt het aanbod onverschillig af. Hij wil de Here zogenaamd niet lastig vallen. Wat onbeschoft, zeg!
'Ach, Jesaja,' roept een
omstander, een boerenvrouw die is meegelopen met de stoet, 'Wat wil je van zo'n koning, die zelfs zijn eigen kind heeft geofferd aan de
afgoden. Hij luistert liever naar waarzeggers en tovenaars.'
Jesaja keert zich naar de rest van de
Koninklijke familie.
'O, Huis van David,' zucht hij,
'Dat je mijn geduld op de proef stelt is nog tot daar aan toe. Maar Gods
geduld? Toch zult u weten dat Gods woord uitkomt. De Here
zelf zal u een teken geven. EEN ONGETROUWDE VROUW ZAL EEN KIND KRIJGEN EN ZE
ZAL HEM IMMANUEL NOEMEN, God met ons. En voor we drie jaar verder zijn zullen
de beide koningen waar u nu zo bang voor bent, dood zijn.'
'Achaz kan beter de koning van Assur om hulp vragen, in plaats van naar jouw geblaat te
luisteren,' kat een raadgever hem af.
'De koning van Assur?' snuift Jesaja minachtend, 'Ja,
die zal inderdaad hierheen komen. God zal hem hierheen fluiten. Maar deze
prachtige vriend van u, zal als een scheermes het land kaalscheren tot het één
grote lege wildernis is...'
Het is een paar maanden later. Het beleg rond Jeruzalem is
opgeheven. Resin en Pekach
zijn in de richting van de Dode Zee vertrokken.
'Nu snel Tiglatpileser, de koning
van Assur om hulp vragen.' denkt koning Achaz. Hij hecht totaal geen waarde aan Jesaja's
profetie. Met grote stappen loopt hij door de opslagruimtes bij de tempel.
Allerlei zilver, goud en kostbaarheden laat hij inladen voor Ninevé. Gods huis wordt geplunderd. Vreselijk toch!
En Jesaja? Hij blijft waarschuwen.
Kijk maar! Daar staat hij op een druk plein, omringd
door zijn leerlingen. Op een groot schrijfbord krast hij met ballonletters: UW
VIJANDEN ZULLEN SPOEDIG VERNIETIGD WORDEN. Twee fijne eerlijke vrienden, de
priesters Uria en Zacharia,
kijken toe. Zij zijn de getuigen, die het later allemaal doorvertellen aan hun
kinderen en kleinkinderen. Alle woorden, die Jesaja
namens God uitspreekt, worden door de leerlingen zorgvuldig opgeschreven. De
pennen krassen op het perkament. VREEST NIET VOOR MENSEN, VREEST SLECHTS GOD.
Die nacht wordt Jesaja's tweede zoon geboren.
'Heb je het al gehoord?' zeggen de mensen een paar dagen
later. 'Jesaja's kind heeft zo'n
gekke naam gekregen.
'Mahel-Salal
Chaz Baz,' UW VIJANDEN
ZULLEN SPOEDIG WORDEN VERNIETIGD.'
Ze halen lachend hun schouders op. Maar de echte gelovigen
snappen het geheim. Zij weten net als Jesaja, dat
door alle ellende heen, eenmaal dat andere kind zal komen die alle vijanden zal
vernietigen. IMMANUEL, GOD MET ONS.