OT46 - DE
HERE BEVRIJDT SAMARIA
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'En nou gaat 'ie eraan!' roept
koning Joram van Israël woedend.
'Wat denkt die Elisa wel? Ik zal hem vandaag nog laten
onthoofden. Adjudant, ga naar die ellendeling toe. Ik kom je zo achterna.'
Met een overdreven gebaar scheurt hij de zijnaad van zijn
koningsjas open. O, alle mensen zien zomaar zijn blote benen en ... een stukje van een heel lelijke jas, een rouwgewaad. Oei,
oei, oei! Waarom doet koning Joram dit? Is er dan echt iets heel verschrikkelijks
gebeurd? Iets gruwelijks?
Ja, kijk dan om je heen. Kijk dan zelf. Hiervandaan, van
bovenop de muur kun je de ellende zien. Rondom Samaria
ligt een vijandelijk leger. Het leger van Benhadad de
Derde, de koning van Aram. Zie je al die tenten, de
paarden en ezels, de soldaten? Och, ze liggen er al zo lang. Maanden en
maanden. Er kan geen kip in en uit de poort. En daardoor is er honger,
vreselijke, gruwelijke honger. De mensen eten van alles, van ezelskoppen tot
duivenmest. En zelfs daarvoor betaalt men peperdure prijzen. Maar de
allerergste ellende hoorde de koning zonet. Moeders die hun kinderen doden uit
radeloosheid. O, o, had hij maar niet naar Elisa geluisterd, die akelige
profeet. Het is zijn schuld. Hij had immers het advies gegeven om zich niet
over te geven aan Benhadad.
'Vertrouw op God.' had Elisa hem aangeraden. 'Hij zal je
helpen.'
Nou, als dat helpen is. Moet je eens kijken hoe het volk
rondloopt als levende skeletten. Nee, Elisa is een stinkende bedrieger. Met
grote stappen baant de koning weg naar het huis van Elisa.
'Opletten!' zegt Elisa tegen de bestuurders van de stad die
toevallig bij hem op bezoek zijn. 'Zo meteen komt die knecht van Joram. Houdt
hem tegen bij de deur, want die zoon van een moordenaar komt erachteraan. Hij
wil me laten onthoofden. Let op mijn woord.'
En... ja hoor! Daar is de koning al.
'De maat is vol!' brult hij als hij zijn voet over de
drempel zet. 'Jij misselijk stuk profeet. Weet je wel hoe diep we gezonken
zijn? Denk je nou echt dat ik nog langer op God hoop?' Elisa, zelf ook
broodmager van de honger, staat zwijgend op en loopt op de koning toe. Onder
het oog van het voltallige stadsbestuur steekt hij zijn wijsvinger op, terwijl
hij profeteert: 'Hoor het woord des Heren, koning Joram van Israël. Wie op de Here vertrouwt, vertrouwt nooit tevergeefs. Morgen om deze
tijd zal men op de markt voor een sikkel twee litermaten gerst of één litermaat
meel kunnen kopen.'
Het is doodstil in het kleine kamertje van Elisa. Men moet
dit even verwerken. Door de openstaande deur klinkt van veraf het klagende
gehuil van een wanhopig mens. Plotseling duwt de adjudant, op wiens arm de koning leunt, Elisa ruw naar achteren terwijl
hij minachtend snuift: 'Moet je hem horen. Dat eten komt dan zeker uit de hemel
vallen. Haha!'
'Je ogen zullen het zien,' antwoordt Elisa ernstig, 'Maar je
mond zal er niet van proeven.'
Het is avond. De arme, hongerige mensen van Samaria zijn maar vroeg naar bed gegaan. Misschien vergeten
ze hun ellende een beetje. Op de muur van de stad lopen wachters hun eentonige
rondjes. Maar buiten in het kamp van koning Benhadad
gebeuren vreemde dingen. Heel vreemde...
Rrrrrt! ... Pst! ... St!
.... Tippetippetip!
Wat is er toch aan de hand? Rennen er soms ratten door het
kamp? En waar zijn alle soldaten? Waar is koning Benhadad?
In het spaarzame licht van een kleine toorts zie je vier
mannen in gerafelde vuile kleren. Ze sluipen dan hier, dan daar, duiken onder
tentzeilen door, de ene tent in en de andere uit. Hun armen zijn vol schatten.
'Hier ligt hartstikke veel.'
fluistert een van hen. 'Koeken en wijn. Ook goud en zilver...'
'Doe in een zak.' sist een ander, 'Straks verdelen!'
Rits....rits, tippeldetippel!
'Hé, stop!' klinkt onverwachts de stem van de jongste. 'We
kunnen dit niet allemaal voor onszelf houden. We moeten het in de stad gaan
vertellen. Dit is nieuws!'
'Ja,' stemmen de anderen in,
'Eigenlijk wel. Ze zullen ons vermoorden als we niks zeggen. Kom mee!'
'Wachter, wachter op de muur!'
Met een schok staat de schildwacht van koning Joram stil.
Riep daar iemand?
'Wij zijn het.' klinkt het weer,
'De vier melaatsen die altijd bij de Oostpoort
slapen. We hebben goed nieuws!'
De schildwacht is op zijn hoede. Het kan een valstrik zijn.
Maar dan vertellen de mannen opgewonden wat ze ontdekt hebben. HET LEGERKAMP
VAN DE ARAMEEERS IS VERLATEN! Geen soldaat te bekennen. En alle spullen liggen
er nog gewoon. Al gauw wordt koning Joram erbij gehaald en zijn raadgevers.
Eerst vermoeden ze nog dat het een trucje is van Benhadad
om hen uit de stad te lokken. Daarom sturen ze verkenners erop uit met paarden
en wagens. MAAR HET BLIJKT WAAR TE ZIJN! De Arameeërs zijn gevlucht. De weg
ligt vol met spullen die ze in hun haast weggegooid hebben.
En weet je waarvoor ze gevlucht zijn? Je raadt het nooit...
Voor een geluid!! De Here had
hen namelijk een geluid laten horen van hoefgetrappel, net alsof er een heel
leger aan kwam zetten. Haha! Wat een mop, zeg!
Als de koning en het volk dit hoort, zijn ze uitzinnig van
vreugde. De poorten worden met gejuich opengebroken en iedereen wringt zich
naar buiten.
Hoi, hoi! Eten! Buit! Graaien en grijpen. Je mond en je
zakken volproppen...
's Middags wordt er al weer handel gedreven in de poort. Een
litermaat gerst kost één sikkel en twee maten gerst ook. Het komt precies zo
uit als Elisa had voorspeld. En de adjudant van de koning? Die ongelovige
grootschreeuwer?
Hij werd onder de voet gelopen door het naar buiten stromende volk. Zijn ogen zagen het voedsel, maar zijn mond
proefde er niet van. Want met de Here valt niet te
spotten.