Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Die koning Josafat van Juda is
echt een zachtgekookt eitje!' zegt Met, de generaal van de koning van Moab, terwijl hij zich ongegeneerd uitrekt in zijn volle
lengte, om de loomheid na het middagslaapje uit zijn duffe lijf te verdrijven.
Pats! Met een klap laat hij zijn grove vuist neerdalen op
het tafeltje waaraan hij heeft zitten dutten. Gelijk zijn alle soldaten klaar
wakker. Komt er een actie? Een aanval? Ja hoor! Met gaat zijn soldaten
instructie geven.
'Mannen!' schreeuwt hij met gebarsten stem. 'Willen jullie
goud, kleren, sieraden in overvloed? Nu ligt het zo voor het oprapen. Samen met
de Amonieten en die lui uit Meün
gaan we Juda binnenvallen. Ik heb daarnet de rapporten binnengekregen van Rat
onze spion. Koning Josafat is een vrome sufferd. Hij
probeert zijn volk goed en eerlijk te maken, maar heeft een leger van niks!'
Grote hilariteit bij de soldaten. Ze slaan elkaar uitbundig
op de schouder. Wat een mop. Goed en eerlijk. Nou, zij willen liever slecht en
gemeen zijn. Stelen en doden om gauw rijk te worden. Want rijk zijn maakt het
leven pas leuk.
'Dus, mannen,' schreeuwt Met dreigend, 'ga allemaal je
messen en speren slijpen, want morgenochtend trekken we op.'
Doodstil is het op het tempelplein te Jeruzalem. Duizenden
Israëlieten staan met ernstige gezichten dicht op elkaar gedrongen te wachten.
De spanning is te snijden. O ja, het was al gauw in Juda bekend geworden wat de
Moabieten van plan waren. En het hele volk was
doodsbang geworden. Ook koning Josafat.
'Ga vasten.' was al wat hij kon zeggen. 'En kom allemaal
naar de tempel om te bidden. Alleen God kan ons nog redden.'
Zo zijn ze dus hiernaartoe gestroomd, de inwoners van Juda.
Op hun gezichten staat de ernst te lezen. Wat zal de toekomst brengen als God
hen niet helpt? Met zachte, maar duidelijk verstaanbare stem begint de koning
te bidden.
'Here, God van onze voorouders,' klinkt het, 'U, die in de hemel woont, regeert ook over de
volken hier op de aarde. Wil ons alstublieft helpen. Wij kunnen niet tegen die
grote legers op.'
Och, Josafat smeekt God hen te
redden. Hij herinnert Hem eraan dat Hij hun voorouders dit land heeft gegeven,
het Beloofde Land. Hij herinnert God ook aan het gebed van koning Salomo toen
de tempel voor het eerst werd ingewijd.
'U hebt toen beloofd ons te helpen, Here!'
zegt hij tenslotte eerbiedig. 'Verlos ons dan nu van
onze vijanden.'
Na het amen blijft iedereen stil afwachten. Zelfs kleine
kinderen staan met ernstige gezichtjes, hun handjes stijf gevouwen, hun ogen gesloten.
Men wacht op... Gods antwoord. En dat komt heel onverwacht. Een van de Levieten
begint te profeteren. 'Luister, volk van Juda, inwoners van Jeruzalem en koning
Josafat,' klinkt zijn
duidelijke stem, 'Zo zegt de Here: Weest niet bang voor deze legers, want God zelf zal voor
jullie strijden. Morgen zul je tegen hen optrekken. Vreest
niet! De Here is met u en geeft u de overwinning.'
Wat een heerlijke woorden! Wat een bemoediging! Koning Josafat valt op zijn knieën neer om God te danken. Ja, het
hele volk knielt, de gezichten nat van tranen.
En de Levieten? Die zetten zelfs een loflied in.
De woestijn van Tekoa met zijn
ruwe hoge rotsen, vlakbij de Dode Zee is een schitterend gebied. Net een
maanlandschap. Vooral 's morgens vroeg als de zon opgaat en de Dode Zee met
onnatuurlijk mooie kleuren doet glanzen. De lucht aan de overkant, oranjerood,
laat de lila en witte kleuren van de bergen goed
uitkomen. Het is een gebied van schuwe gezellen, zeldzame vogels en hagedissen.
Zal hier vandaag bloed vloeien? Het lijkt zo onwerkelijk.
Maar ja, hoor! Al spoedig komen ginds in het zuiden
inderdaad de woeste rovers uit Ammon en Moab van de berghellingen het beekdal binnenstromen... Ook
dichterbij, tussen de grote ruwe stenen, zitten soldaten verscholen.
Zo af en toe zie je een hoofd boven de rotsen uitsteken. Het zijn de inwoners
van het gebergte Seïr, die de Moabieten
beloofd hebben te helpen. Ze hebben daar zeker geslapen... En koning Josafat? Is hij ook present met zijn leger? Ja hoor! Vanuit
het noorden komt hij aan.
Maar wat is dat nou? Voor het leger uit lopen zangers in
feestkleren, die liederen voor God zingen. 't Lijkt
wel een fanfarekorps. Heb je ooit zoiets vreemds gezien?
Ja, koning Josafat heeft hen die
ochtend vroeg toegesproken en hen vooral op het hart gedrukt te geloven wat
Gods profeet gisteren heeft gezegd. En daarna heeft hij mannen aangewezen die
voorop moesten gaan om te zingen... Moedig lopen die de vijand tegemoet.
Dichter en dichter naderen de legers elkaar. Stampende soldatenlaarzen, vloeken
en hebzucht aan de ene kant. Vrolijk dansende voeten, handgeklap en lofgezang
aan de andere kant. Hoe gaat dat aflopen? Nog even en dan...
'Looft de Here!' roept het koor
ineens.
'Prijst zijn Naam!' antwoordt het volk. Ze steken hun handen
in de lucht. Hoera voor God!!
Op dat moment gebeurt er iets onverwachts. Vanachter de
rotsblokken springen de Meünieten, die de Amonieten zouden helpen, plotseling tevoorschijn. Ze vallen
hun eigen vrienden aan. Waarom? Niemand weet het. En die Amonieten
keren zich van de schrik weer tegen de Moabieten.
Pam! Pats! Kletter!
Terwijl Juda verbaasd stil blijft staan, zien ze dat hun
vijanden elkaar doodmaken.
Het is vier dagen later. Aan het hoofd van zijn leger rijdt
koning Josafat triomferend Jeruzalem binnen. En op
grote houten karren ligt de oorlogsbuit hoog opgetast. Dekens, wapens, kleding,
goud en sieraden, noem maar op. Drie dagen lang heeft het volk spullen
opgeraapt, die de vijand achterliet. En de vierde dag hebben ze God gedankt in
het Dal van de Lofprijzing. Zingend trekken ze nu door de straten van
Jeruzalem. Ja, koning Josafath en het hele volk
hebben Gods verlossing gezien. Tussen alle jassen en spullen, op de voorste
wagen, liggen ook.... de kleding en het mes van Met!!