OT44 - SLECHTE
VRIENDEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Hei, hei! Vort, vort!'
Woeste soldaten uit Gilead sporen
hun schuimbekkende paarden aan tot spoed. Driftig slaat hun hand op de schoft
van de goedgetrainde dieren. In de andere hand een scherpe lans. O vreselijk!
Dit is oorlog. Kijk, de voorsten zijn al hevig in gevecht gewikkeld met de
Israëlieten. Al spoedig wordt de aarde rood gekleurd van het bloed en de lucht
vervuld met kreten van pijn. O, die rovers uit Gilead
zijn zo gemeen. Hun aanvoerder, een breedgebouwde man met een haakneus, kijkt
met felle ogen in het rond.
'Die koning moet je hebben, stommeling!
Ga achter Achab aan!' schreeuwt hij tegen zijn
wagenoverste. 'Daar rijdt 'ie!'
Maar de aanvoerder heeft het mis. Die koning is niet koning Achab van Israël, maar Josafat,
de koning van Juda.
'Here, help me!' roept Josafat in grote nood als hij al die wagens op hem af ziet
komen. En de Here helpt hem inderdaad. Plotseling
roept de wagenoverste: 'Dat is Achab niet! Dat is een
ander. Omkeren, mannen!'
Opgelucht haalt Josafat adem, in
zijn hart een dankgebed.
Hoe komt die vrome koning Josafat
nou toch hier verzeild met zijn leger? Josafat is
toch geen vriendjes met Achab geworden? Jazeker wel. Hoor maar!
Op een mooie warme dag in het voorjaar bracht koning Josafat van Juda een bezoek aan Samaria.
Koning Achab was maar wat vereerd dat zijn rijke
zwager hem eindelijk eens opzocht en hij ontving hem dan ook heel feestelijk
met een enorm banket. Op het hoogtepunt van het feest echter stond Achab een beetje dronken van de wijn op en vroeg: 'Mijn
beste zwager, wat zou het fijn zijn als je met me mee
wilde gaan strijden tegen de stad Ramot in Gilead.'
Het werd plotseling doodstil in de zaal. Dit was een
belangrijke vraag. Raadgevers en politici hielden hun adem in. Zou er na jaren
een verbond komen tussen de twee delen van Israël? Wat zou Josafat
antwoorden?
'Tsja,...
eh...' begon Josafat een
beetje in het nauw gedreven, 'Natuurlijk,... ik doe met je mee. Mijn volk
schaart zich achter jouw volk. Maar...' voegde hij er voorzichtig aan toe.
'Laten we eerst vragen wat God wil.'
De schijnheilige Achab knikt
tevreden. Hij heeft immers vierhonderd nepprofeten in dienst, die profeteren
wat hij wil.'
Met een kort handgebaar geeft hij aan dat de maaltijd
geëindigd is.
Voor de poort van Samaria is een
grote dorsvloer op een heuvel. Er waait daar een lekker verkoelend windje en de
beide koningen, gezeten op prachtige stoelen, hebben een mooi uitzicht op de
omgeving. Dansend en springend komen de nepprofeten de dorsvloer op, hun armen
meeswingend op het ritme van een opzwepend lied. Zodra koning Achab gaat staan wordt het echter stil.
'Profeten, geeft ons raad,' zegt hij bevelend, 'Zullen we
tegen Ramot gaan vechten of niet?'
'Ja!' schreeuwen ze allemaal
tegelijk, 'Trek op. God geeft die stad in uw macht.'
Een triomferend lachje speelt om de mond van Achab. O, hij wist al van te voren wat het antwoord zou
zijn. Had hij die lui er niet dik voor betaald?
'Wacht eens even, zwager,' zegt Josafat, die zich niet zo gemakkelijk laat bedriegen, 'Is
hier ook nog een profeet van de Here God? Laten we
het aan hem vragen.'
Er komt een boze rimpel in Achabs voorhoofd. Er woont inderdaad nog zo'n
man in de buurt. 't Is Micha, de zoon van Jimla, maar die profeteert altijd onheil over hem. Achab haat hem. Josafat blijft
echter aandringen.
'Luister,' zegt de knecht van Achab
onderweg tegen Micha. 'Wees nou wijs en profeteer
geen onheil over de koning. De anderen hebben dat ook niet gedaan. Verknoei het niet voor jezelf, hé?'
Micha's mond valt open van verbazing.
'Zo waar de Here leeft,' roept hij uit, 'Ben ik soms een bedrieger? Alleen wat de Here mij zeggen zal, dat zal ik spreken.'
'Zo zult u Aram stoten...!'
schreeuwt Sedekia, een van de nepprofeten juist als Micha eraan komt. Hij springt als een bok in het rond met
twee ijzeren horens op zijn hoofd. Wat een gek gezicht! En alle andere profeten
roepen het hem na. Ja, Achab zal zeker voorspoed
hebben. Zodra Micha echter voor de koning staat wordt
het doodstil. Iedereen is benieuwd wat hij zal gaan zeggen.
'Zeg mij, profeet,' vraagt Achab
gespannen, 'zullen wij tegen Ramot optrekken of
niet.'
Micha werpt een vernederende blik op Sedekia met zijn ijzeren horens en zegt dan koeltjes: 'O,
jazeker, majesteit, ga maar gerust. U zult overwinnen.'
Achab heeft direct door dat Micha hem voor de gek houdt.
'Spreek de waarheid, man.' schreeuwt hij kwaad.
Micha kijkt hem strak aan. Dan barst hij
uit: 'Ik zag heel Israël op de bergen, verstrooid als schapen die geen herder
hebben.'
Even is het stil op de dorsvloer. Dan springt Sedekia naar voren en slaat Micha
zomaar in zijn gezicht. Pats! Die Micha moet niet
denken dat God van hem geweken is. En Achab
schreeuwt: 'Neemt Micha gevangen, die schurk! Altijd
profeteert hij onheil over mij. Zie je nou wel?'
O, had Josafat zich toen maar
teruggetrokken. Had hij toen maar gezegd: 'Achab, ons
verbond gaat niet door.' Dat zou moedig geweest zijn. Dan zou er veel ellende
voorkomen zijn. Maar nee, Josafat blijft toch
vriendjes met Achab. Een paar weken later gaan de
beide legers op oorlogspad. En Achab, toch wel
bezorgd over die profetie, vermomt zich als soldaat, terwijl Josafat gewoon als koning gaat.
Als de zon die avond ondergaat, liggen er honderden doden op
het slagveld en onder die allen is ook Achab. Een
verdwaalde pijl trof hem in de borst. Israël rouwt. En Josafat
vlucht in paniek terug naar Jeruzalem. Nooit zal hij deze les vergeten.
'WEES NOOIT VRIENDJES MET DE GODDELOZEN DIE DE HERE HATEN EN
HELP HEN NIET!'