OT43 - EEN
FEESTMAAL VOOR VIJANDEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Het is
onbegrijpelijk!' roept de koning van Aram uit.
Al een uur
lang loopt hij te ijsberen in zijn koninklijke
privé-vertrek. Zo af en toe staat hij stil, brengt
zijn twee handen met gekromde vingers aan zijn voorhoofd en dan weer iets naar
voren.
'Hoe is het
mogelijk, hoe is het mogelijk!'
De twee
officieren die naast de brede deuren op wacht staan, kijken elkaar
veelbetekenend aan. Oei, oei! Wat is de koning geïrriteerd!...
En beneden
in de eetzaal van de officieren is het ongewoon rustig. Het lijkt wel of
iedereen met z'n eigen gedachten bezig is. Ach, ze
willen eigenlijk ook niet met elkaar praten. Want, wie weet praten ze wel
met... een verrader!
Wat is er
toch aan de hand daar in dat paleis van de koning van Aram?
Waarom loopt de koning zo te ijsberen en kijken de officieren elkaar
achterdochtig aan? Het komt allemaal door Elisa, de profeet van God die in Dotan woont. Telkens als de koning van Aram
van plan is om Israël binnen te vallen, maakt de Here
God dat Elisa bekend. Elisa gaat dan gauw naar de koning Joram en verklapt het.
De Israëlieten lachen zich slap, maar de koning van Aram
springt haast uit z'n vel. Hij belegt een
spoedvergadering met al z'n raadslieden en officieren.
'Wie van
jullie is een verrader? Zeg op! Wie heeft de koning
van Israël over mijn plannen ingelicht?...'
De
rijksbestuurders sidderen en kunnen geen verklaring geven. Al is de veldtocht
nog zo geheim gehouden, al gebruikt de koning nog zulke slimme trucjes, de
Israëlieten weten al lang dat ze er aankomen en lachen hen finaal uit. Gelukkig
is er een kamerheer die vermoedt hoe de vork in de steel zit. 'Majesteit,' zegt hij beleefd, 'Het komt door Elisa, de profeet. Hij
weet alles, zelfs de woorden die u in uw slaapkamer spreekt. En....dat speelt hij natuurlijk door aan zijn koning!'
Er gaat
geroezemoes door de zaal. Iedereen begint opgelucht door elkaar te praten. Ja,
dat zal het zijn!
'STILTE!'
maant de koning, 'Als dat waar is, dan is het een
fluitje van een cent. Laat die Elisa arresteren. Waar woont die kerel
eigenlijk?'
Het is een
paar dagen later, heel vroeg in de morgen. Uit een van de eenvoudige witte
huisjes in Dotan stapt een jongeman zacht neuriënd
naar buiten. Het is de knecht van Elisa. Hij pakt een waterkruik om fris water
te halen bij de bron. Plotseling wordt zijn oog getrokken door kleine
figuurtjes in de verte. Wat is dat nou? Een leger??
Soldaten?
'Mijnheer
Elisa,' roept hij paniekerig, 'Kom gauw! Soldaten. Ze
komen vast voor u. O wee! Wat moeten we doen?' Hij kijkt om zich heen. Waar kan
hij wegkruipen?...
'Rustig
aan, rustig aan,' sust Elisa, die de toestand snel
heeft overzien, 'Weet je niet dat ons leger groter is dan dat van hen? Kijk
dan...'
Hij legt z'n rechterarm om de schouder van de jongen en bidt tot God.
'O,Here, open zijn ogen, zodat hij in de gaten krijgt
hoeveel engelen U heeft gestuurd om ons te
beschermen.'
Op het
zelfde moment ziet de jongen het. De berghellingen wemelen van strijdwagens en
paarden van vuur. Ze zijn rondom Elisa en hemzelf. Hij
kijkt zijn ogen uit, zoveel engelen...
'Kom op,' maant de profeet, 'We gaan gewoon naar die Arameeërs toe.
De poort door, vooruit!'...
'Goeiendag!' zegt Elisa langs zijn neus weg, als hij langs
de wachtpost loopt. 'Al zo vroeg op weg?'
De soldaat
schuurt eens over zijn baard en antwoordt nonchalant: 'Ja, op weg naar Dotan, hè, om de profeet op te pakken... Weet je waar hij
woont en hoe hij er uit ziet?'
Elisa is
blij dat de Here z'n ogen
heeft verblind, zoals hij had gebeden. Hij blijft staan en doet net alsof hij
geschrokken is: 'Man, dan zitten jullie hartstikke
verkeerd! Je moet daar heen... Weet je wat, loop mij maar achterna, dan breng
ik jullie wel waar je wezen moet.'
Terwijl
Elisa en zijn knecht rustig in het gras gaan zitten wachten wordt er aan alle
kanten op de hoorns geblazen om de verspreide soldaten weer bijeen te roepen.
'Majesteit,
o koning Joram, kom toch eens gauw kijken. U gelooft uw eigen ogen niet. Daar
komt Elisa aan met het hele Aramese leger. Volgens mij heeft hij
ze allemaal gevangen genomen. Je lacht je krom!' roept een paleiswacht
opgewonden uit. Ja en niet alleen de koning, maar
iedereen in Samaria komt aanrennen om de intocht van
de Arameeërs te zien. Klipklapklepperdeklap.
Voorop de
fiere cavalerie, met vaandels en vlaggen, en daarachter de goedgetrainde
infanterie, lange speren, strakke gezichten, trots geheven hoofden.
En helemaal
vooraan een kleine, wat kalende man, de profeet Elisa. Er zit een grote grijns
op z'n gezicht.
Op het
paleisplein aangekomen zien de mensen dat de optocht stil houdt. Met een breed
handgebaar zegt Elisa lachend: 'Hier is het!'
Meteen
opent God de ogen van de Arameeërs, zodat ze zien waar ze zijn. Grote
ontzetting en verwarring! Zijn ze zomaar het hol van de leeuw binnengemarcheerd
zonder het te merken? Wat stom, zeg! Vluchten kan niet
meer. Het is te laat. Van alle kanten worden ze omsingeld door soldaten van
koning Joram.
En Joram
zelf?.. Die is in alle staten van opwinding. Wat moet
hij doen?
'Zal ik ze
neerslaan, Elisa?' vraagt hij nerveus.
'Tuurlijk niet,' zegt Elisa mild,
'Men doodt geen mensen die gevangen zijn. Geef ze maar wat te eten en te
drinken en laat ze dan maar weer gaan.'...
'`t Is
onbegrijpelijk! Te gek gewoon!' roept de koning
van Aram uit als hij het hele verhaal hoort. 'Mijn elitetroepen
gevangen genomen door een simpele man? Een feestmaaltijd hebben ze aangeboden
gekregen?? O, ik word gek! Ik word niet goed!!'
Onbegrijpelijk
de koning van Aram heeft gelijk. Het is echt
onbegrijpelijk dat er mensen zijn die hun vijanden te eten geven. Maar zo is
nou God van Israël. Hij leert zijn volk wat vergeven is.