OT42 - AFGELOPEN?
NIKS AFGELOPEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Het is
AFGELOPEN met die Elia!’ schreeuwt een hekserige vrouwenstem woedend. ‘Af-ge-lo-pen!
Heeft iedereen dat goed gehoord?? Ik zweer bij alle
goden, dat ik hem morgen zal laten doden!’... Wie is dat boze
mens met haar lange rode nagels en koolzwarte ogen, die met haar hoge hakjes op
de grond stampt? Ze stinkt naar parfum... En waarom is ze zo kwaad op Gods
knecht?
Het is
Koningin Izebel, de goddeloze vrouw van koning Achab. Ze heeft zojuist van haar man gehoord dat Elia al haar Baälpriesters heeft
laten doden. Allemaal, vierhonderd stuks! En ze was nogal liefst zo trots op
die priesters. Ze waren zo lekker slecht en deden precies wat zij wilde. WAU!! Wat is ze nijdig! Knarsetandend geeft ze een bode
opdracht om naar Elia te gaan, die in de poort van de
stad zijn brood zit op te eten.
‘Zeg hem
dat hij morgen sterven zal!’ klinkt het boosaardig.
‘Rennen!’
Dat is het
enige woord wat in Elia's vermoeide hoofd opkomt. Ja,
hij is uitgeput. Gisteren heeft hij een fantastische overwinning voor de Here behaald. Er was een soort competitie geweest tussen de
Here God en de god Baäl.
God liet overduidelijk aan het hele volk zien dat Hij de echte levende God was.
Op Elia's gebed zond Hij vuur uit de hemel dat het
offer verteerde. En de Baälpriesters stonden compleet
voor joker. Het volk had uitzinnig van vreugde geroepen: ‘DE HERE IS GOD! DE
HERE IS GOD!’ Elia hoefde nog slechts een klein bevel
te geven en al die slechteriken werden gedood. Maar nu die vrouw Izebel hem bedreigt, kan hij het niet meer opbrengen om
flink te zijn. RENNEN, wegwezen!...
Met zijn
knecht vlucht hij naar het zuiden.
Het is een
heel eind van Jizreël, de residentie van koning Achab, naar Berseba in het
zuiden. Elia en zijn knecht lopen de afstand in een
recordtijd, steeds achterom kijkend of ze niet gevolgd worden. Elk
hoefgetrappel doet hen in de bosjes duiken. Komen Izebels
soldaten er aan?
‘Ik denk
dat we hier beter afscheid kunnen nemen,’ zegt Elia
als ze wat op adem gekomen zijn in Berseba. ‘Waarom
zou je zo'n mislukte profeet als ik volgen? Ik zie wel
in, dat het volk toch ontrouw blijft aan God...’
Helemaal
alleen gaat hij verder, de woestijn in.
De woestijn
is zo groot! Wel zo wijd als de zee, bloedheet en ongenaakbaar. Stenen, rotsen,
zand en doornstruiken. Geelbruin, roodbruin, wit. Skeletten liggen er zat. Het
is het land van de dood. Een hele dag sjouwt Elia
door, zijn armen slap afhangend naar beneden, z'n blik
op oneindig. Slof...slof... Tenslotte ploft hij neer
onder een bremstruik. ‘O God, laat mij maar sterven. Ik kan niet meer.’ kreunt
hij. Hij ziet zijn leven voor zich, zijn werken voor God. Zinloos is het. Is er
nog wel iemand die in God gelooft? Nee toch! O, wat is er toch terecht gekomen
van dat heerlijke verbond tussen God en Israël. Elia
denkt terug aan de verhalen over Mozes bij de berg Sinaï.
Huilend valt hij in slaap.
Psjt! Psssjjjtt! Fffft!
Zachtjes
laat de wind fijne korreltjes zand regenen op de eenzame knecht van God. Psjt! Ffft! Het zand komt op zijn
versleten sandalen. Het dringt door onder de plooien van de gestreepte jas en
kruipt tussen de haren van zijn baard. Uur na uur verstrijkt. Elia slaapt. Zal hij helemaal onderstuiven?... Nee, God
heeft nog belangrijk werk te doen voor hem. Tot tweemaal toe maakt een engel
hem wakker om wat te eten en te drinken.
‘Je moet
nog een lange reis maken, Elia,’ zegt de engel. Ja,
God wil dat hij doorgaat naar de Sinai. Daar zal Hij
laten zien dat het nog lang niet afgelopen is met Zijn werk. Elia ziet een lekker brood, gebakken op gloeiend hete
stenen. Hij drinkt uit de waterkruik die ernaast staat. En door dit hemelse
krachtvoer kan hij weer dagen vooruit...
Het is
nacht. De drieduizend meter hoge berg Sinaï,
onderdeel van het Horebgebergte, steekt zwart en
dreigend af tegen de heldere hemel. Miljoenen en miljoenen sterren staan
erboven te fonkelen. Je voelt je hartstikke klein
worden als je er naar kijkt. De volle maan werpt ellenlange, spookachtige
schaduwen over de rotsen. In een spelonk aan de voet van de berg ligt Elia te slapen, klein mensje in het oneindige heelal. Maar
God weet hem te vinden. Midden in de nacht klinkt Zijn stem: ‘Wat doe jij hier,
Elia?’ Elia is meteen
klaar. Hij gaat rechtop zitten en stamelt: ‘Here,...bent U het? Ik heb m'n
uiterste best voor u gedaan, maar de Israëlieten hebben uw verbond verlaten. Nu
ben ik nog maar alleen overgebleven. En zelfs mij willen ze doden!’
‘Kom eens
naar buiten,’ zegt de Here God uitnodigend, ‘Kom eens
voor mijn aangezicht staan.’
En dan
toont Hij Elia door een geweldige stormwind, door een
aardbeving en vuur uit de hemel, dat Hij ontzettend machtig is. Elia wankelt en stopt zijn oren dicht. Hij tast met z'n handen naar houvast.
‘O,God, help me. Ik kan U hierin niet vinden!’ roept hij. Nee, God is niet in de stormwind, niet in de aardbeving, niet in
het vuur. Maar in de zachte koelte die hierop volgt.
‘Sssjjj-ssssjjj!’ ruist het om Elia
heen. Het doet Elia's hart volstromen met vrede.
Eerbiedig slaat hij zijn mantel over z'n hoofd en
stapt naar buiten, wachtend dat God zal spreken.
‘Wat doe je
hier, Elia?’ klinkt het weer. ‘Ik heb nog belangrijk
werk voor je te doen. Ga weer terug naar je land. Twee koningen moet je zalven
en Elisa tot opvolger aanstellen. En... denk eraan: er zullen zeker
zevenduizend mensen overblijven die nooit voor de Baäl
zullen buigen...’
Wat een
belangrijke opdracht en wat een troost! O, Elia wordt
weer blij. Hij ziet het weer helemaal zitten.
Afgelopen? Niks afgelopen! Gods plan met Israël gaat door. Laat Izebel zelf maar uitkijken!