Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Heb je het al gehoord?’vragen de mensen in Israël bezorgd. Er is iets vreselijks gebeurd. De ark is meegenomen
door de Filistijnen. Het verdrietige nieuws wordt overal doorverteld. Men roept
het naar elkaar vanaf de platte daken: ‘Onze legers zijn verslagen en de ark
van God is bij de Filistijnen!’
Overal brengt dit slechte nieuws
angst en verwarring. Het was ook echt verkeerd geweest van de leiders van het
volk om de ark uit de tempel te halen. De ark hoort toch niet op een slagveld?
Waar zou hij nu zijn? Wat zouden de Filistijnen ermee doen? O, wat een ramp!
Het is nacht in Israël. Het is ook nacht in het land van de
Filistijnen. Dezelfde maan die in Israël schijnt schijnt
ook in Asdod, waar de tempel van Dagon
staat. De maan laat haar zachte stralen door het open dak vallen, recht op het
hoofd van Dagon. Stijf en star staat hij daar. Met
zijn rare ogen kan hij niet kijken, zijn oren kunnen niets horen. En met zijn
handen kan die god niets doen. Hij is alleen maar een stuk steen. Aan de
linkerkant ernaast staat een mooie gouden kist met twee draagstokken eraan.
Gouden engelen staan bovenop het deksel. Die kist is… de ark van God! De
priester van Dagon heeft haar daar neer laten zetten.
De ark is de Here God niet, nee, zij vertelt alleen
maar van Gods plan. Het geweldige plan van God met zijn volk. Ik zal jullie God
zijn en jullie zullen mijn volk zijn. Ik wil bij jullie wonen. En eens zal ik
de wereld redden door mijn zoon Jezus. Maar dat weten de Filistijnen niet. Over
een paar dagen zal er feest zijn in de tempel van Dagon.
Dan zullen de Filistijnen liederen zingen voor hun God. Dan zal de ark
belachelijk worden gemaakt. Wat is dat vreselijk. De dode God krijgt de eer en
de levende God wordt bespot.
Rom…bom!!… ineens klinkt er een doffe dreun in de tempel. Wat is dat nou? Het beeld van Dagon valt
zomaar om. Hij ligt op zijn gezicht op de grond, vlak voor de ark. Vreemd is
dat. Net alsof Dagon een diepe buiging wilde maken
voor God. Als de priester van Dagon de volgende dag
met zijn grote sleutel de zware deuren van de tempel opendoet, schrikt hij
enorm. Hij slaat de handen voor zijn gezicht als hij het omgevallen beeld ziet.
Snel gaat hij een paar helpers halen om Dagon weer
rechtop te zetten. Gelukkig, hij is niet kapot. Niemand begrijpt hoe het
gekomen is. Zou het toevallig zijn, of… zou die ark er iets mee te maken
hebben. Maar een dag later vinden ze Dagon weer
omgevallen. Nu is het beeld wel kapot. Het hoofd van Dagon
is eraf! En de handen liggen op de drempel! Het beeld is voorgoed kapot. Je
kunt het hoofd en de handen er niet meer aan plakken. Met treurige gezichten
kijken de Filistijnen naar de puinhoop van hun god.
‘Pas op!’ roept de priester
angstig, ‘Stap niet op de drempel, want dat brengt ongeluk. Daar liggen Dagons handen op.’
Er komen veel mensen kijken. Ze fluisteren en smoezen tegen
elkaar met sombere gezichten. Het komt vast door die ark… die brengt ongeluk…
En inderdaad, de ark brengt hen weinig geluk. De naarste
dingen gebeuren in Asdod. Veel mensen worden ziek en
krijgen vreselijke builen. Sommigen sterven zelfs eraan. En op een morgen
wemelt het in en rond de stad van muizen. Honderden, duizenden muizen krioelen
door de straten van de stad. De akkers worden kaalgeknaagd.
Het koren gaat verloren. De mensen van Asdod zeggen
het nu hardop: ‘Het komt door de ark. Laten we hem naar een andere plaats
brengen. Breng haar naar Gat!’
Maar in Gat gaat het al net zo. Ook daar krijgen de mensen
builen en ook daar breekt een muizenplaag uit.
‘Breng die ark alsjeblieft naar Ekron,’
smeken de inwoners van Gat in paniek. Zodra de mensen van Ekron
de ark zien, jammeren ze het uit.
‘Jullie willen ons doden, weg met dat ding.’
Grote angst in het hele Filistijnse
land. Wat moeten ze toch met die ark beginnen? De vijf burgemeesters van de Filistijnse steden gaan erover vergaderen. Ze besluiten de
ark terug te laten gaan naar Israël. Voor een splinternieuwe boerenwagen
spannen ze twee koeien die pas kalfjes hebben gekregen. De kalfjes laten ze in
de stal staan.
Je begrijpt dat normaal gesproken die koeien niet bij hun
kalfjes weg willen. Doen ze dat toch, dan is het een dubbel teken, dat ze op de
goede weg zijn met de ark.
Iedereen kijkt gespannen toe wat de koeien zullen doen. De
vijf burgemeesters staan bij de kar. Ze zien wit. Ze voelen zich ziek, want ook
zij zitten onder de builen. Naast de ark hebben ze een kastje neer gezet. In
dat kistje zitten geschenken. Vijf gouden builen en vijf gouden muizen. Ze
hopen maar dat de God van Israël deze geschenken wil aannemen en hen wil
vergeven. Vol spanning wordt de wagen losgelaten.
En ja hoor! De koeien lopen al loeiend naar Israël. Ze
kijken niet naar links of rechts. Rechtdoor gaan ze, zonder dat iemand ze
leidt. De burgemeesters lopen er met gebogen hoofd achteraan. Opnieuw zien ze
door dit wonder de macht van de God van Israël.
‘Heb je het al gehoord?’ vragen de mensen in Israël aan
elkaar. De ark is weer terug. Zelfs op de meest afgelegen boerderijen en in de
tenten van de herdersfamilies wordt het fijne nieuws verteld: ‘God onze God, is
sterker dan alle andere goden.’
Nu in onze tijd, vertelt men het nog. Dagon
is allang vergeten. Niemand bidt nog tot hem, maar onze God doet nog dagelijks
grote wonderen. Zeg, heb jij het al gehoord?