OT37 - GOD
WOONT TOCH NIET IN EEN KIST!
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Nee, Hofni, dat mag niet! Dat wil
God niet!' klinkt zachtjes een bevende stem.
De stokoude blinde priester Eli staat wankelend op van zijn
stoel. Hij steekt zijn handen naar voren om te voelen waar hij is. Zijn gezicht
staat angstig.
'Pinehas, niet doen! De ark mag
niet zomaar gepakt worden uit het Allerheiligste. Dat weten jullie best! Samuël, Samuël, waar ben je
toch?'
'Hier ben ik, vader Eli,' zegt een donkere jongeman, die
vlak naast hem staat. 'Kom, gaat u nu maar rustig zitten. U bent veel te oud om
u zo op te winden...'
Eli gaat zitten, helemaal van streek. Samuël
blijft naast hem staan. Zijn hand rust troostend op de arm van de oude man. Hij
is ook boos op die twee ongehoorzame priester. Maar wat kan hij als jongen doen
tegen die grote kerels? Hij weet dat ze toch hun eigen zin doen. Kijk, daar
gaan ze. Met een strak gezicht kijkt Samuël hen na.
Wat dom van ze om te denken dat Gods in een kist woont.
Eli hoort hen weggaan. Hij mompelt wat in zijn baard. Er is
verdriet en bezorgdheid in zijn hart. Dit loopt vast verkeerd af. O, was hij
maar jonger, dan zou dit alles niet gebeurd zijn.
Waarom wordt er zo met de ark gesjouwd? Waarom laten ze die
mooie gouden kist met de engelen erop niet gewoon op zijn plaats staan in het
Allerheiligste, achter het geborduurde gordijn? Zo had God het toch aan Mozes
bevolen?
Dat komt omdat Israël had verloren van de Filistijnen. Er
waren ongeveer vierduizend man gesneuveld. Niemand begreep waarom God niet had
geholpen. Ze vergaderden erover en bespraken de zaak. Tenslotte
kwamen de leiders van het volk op het idee om de ark te laten halen. Als die
bij hen was, zouden ze vast winnen. Dan moest God wel helpen. Hij woonde toch
in die ark?
Zo kwam er een snelle loper bij de tempel van Silo aan.
Hijgend vroeg hij of Hofni en Pinehas
gauw met de ark wilden komen. En die twee ruwe, brutale mannen waren wel voor
een avontuurtje te vinden.
'Hooo!! Ho-ho-ho! Hoeraaa!' roepen de
Israëlieten zodra ze de ark zien. Ze springen en dansen van vreugde. De grond
dreunt ervan. Nu zullen ze winnen, want God is bij hen. Dat geschreeuw horen.... de Filistijnen.
'Wat is er bij die Hebreeën aan de hand?' vragen ze. De
wachtposten turen scherp naar de overkant. Dan zegt er één: 'Volgens mij hebben
ze een god bij zich!'
'Wat zeg je me nou?' roept een hoofdman. 'Laat mij eens
kijken! Ga eens weg... Ja, warempel! O wee, nu gaan we eraan, mannen. Ze hebben
hun god bij zich. Nou, dan kunnen we wel inpakken.'
'Is die God dan zo machtig?' vraagt een soldaat dom.
'Machtig? Man, hou op! Dat is die
God die de Egyptenaren allerlei ziektes heeft gestuurd. Vreselijk gewoon!'
De hoofdman loopt snel naar de officierstent om het slechte
nieuws aan de generaal te gaan vertellen.
'Hoi, hoi, hoi!!' schreeuwen de
Israëlieten nog steeds. 'Wij gaan winnen. Wij gaan winnen! Leve Israël!!'
De generaal van de Filistijnen, een grote brede man met een
geweldige snor en strenge ogen, snauwt: 'Laat alle soldaten aantreden. Ik ga ze
toespreken.'
Even later staan ze daar, met knikkende knieën en sombere
gezichten.
De generaal brult: 'Mannen, grijp moed! Vecht dapper, anders
zijn jullie straks slaven van die Hebreeën!'
Dat helpt. De Filistijnen vechten als leeuwen. Israël wordt
finaal verslagen. De rest van het leger vlucht naar huis.
Als de avond valt, lopen er Filistijnse soldaten over het veld. Ze zoeken alles wat nog
waarde heeft en nemen dat als buit. Speren, lansen, sandalen, geld en eten.
Plotseling zien ze iets glanzen in de bosjes. Wat is dat?
Het lijkt wel goud...
Dat is... ja, dat is de ark van de Israëlieten. Er liggen
twee dode mannen naast met priesterkleren aan. Het zijn Hofni
en Pinehas. De rovers laten hen liggen, maar de ark
nemen ze mee. O, wat een schande voor Israël.
Diezelfde avond bereikt een boodschapper Silo. Hij rent
regelrecht naar Eli.
'Uw twee zoons zijn dood!' hijgt
hij.
'En de ark?...' vraagt Eli hees.
De boodschapper neemt een grote slok water uit een kruik die
Samuël hem aanreikt, veegt met de rug van zijn hand
zijn mond schoon en zegt: 'De ark is buitgemaakt door de Filistijnen.'
Dat is teveel voor de oude Eli. Hij valt achterover en
sterft.
Deze rampdag zal Samuël nooit
vergeten. Duizenden doden en de ark in handen van de rovers. Gelukkig weet Samuël dat God niet in een kist woont, maar in de hemel.
'Help me, Heer, om het volk op de goede weg te leiden,' bidt
hij zachtjes.