Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Hofni!'
De oude, dikke priester Eli, die op een stoel bij de deur
van de tempel zit, roept zijn zoon.
'Hofni, waar ben je?'
Helemaal vooraan bij de ingang, zitten een paar grote jongens.
Ze lachen en maken pret met wat vreemde meisjes. Het is echt geen leuke pret.
Het lachen klinkt eigenlijk vals.
'Hé, Hofni,'
zegt één van de meisjes, je vader roept je.'
Hofni neemt een grote slok wijn en pakt
een vette kluif van een schotel.
'Nou, èn?....
Laat maar roepen, hoor!' antwoordt hij met volle mond.
Zijn broer Pinehas grijnst en
voegt eraan toe: 'Die ouwe vader van ons kan toch geen steek zien. Hij weet
niet dat we hier zitten...'
'Hofni! Pinehas!'
roept Eli weer.
Waarom komen ze nou niet? Och, hij moet ze toch eens een
standje geven. Die vervelende jongens. Morgen misschien?
'Samuël!' roept hij dan.
Een kleine jongen in een wit kleed houdt op met vegen. Riep
zijn pleegvader Eli hem? Hij zet zijn bezem tegen de muur en rent naar de oude man
toe.
'Hebt u geroepen, vader Eli?'
'Ja, Samuël, de deuren moeten
gesloten worden en de olielamp bijgevuld.'
'Ja, vader Eli, ik zal het gelijk doen...'
'En... Samuël, zul je de boekrol
netjes in de kast zetten? O ja, je moet de goede olie gebruiken voor de
kandelaar, hoor! Die zit in het kruikje rechts op de plank van de
voorraadkamer.'
'Ja vader, Eli.'
'En als je klaar bent, wil je mij dan even naar bed
brengen?'
Samuël heeft het
erg druk, maar dat is niets erg. Het werk dat hij doet, doet hij immers voor
God. O nee. Hij zou niet willen ruilen met die twee zoons van Eli, die
nietsnutten. Ze stelen zelfs nog van de offers van God. Zij kennen niet het
blije gevoel dat je krijgt als je weer een stukje uit het woord van God uit het
hoofd kunt opzeggen.
Of als je, zoals hij nu, de prachtige gouden lamp bijvult,
zodat het licht helder weerkaatst tegen de wanden van het Heilige.
Samuël veegt met een zacht doekje een
druppel olie weg. Dit is het mooiste moment van de dag. Eerbiedig knielt hij
neer. Het knechtje van Eli, het knechtje van God.
Het is al helemaal donker als Samuël
eindelijk op zijn slaapmatje ligt. Buiten is het stil. Duizenden sterren
flonkeren zachtjes aan de hemel. De maan geeft alles een geheimzinnig licht. De
nachtwind doet de gordijnen van de tempel een beetje opwaaien. Heel even kun je
een glimpje opvangen van de lamp in het heilige, de
gouden kandelaar met de zeven lichten.
Ineens klinkt het: 'Samuël!'
De kleine priester schiet overeind. Riep iemand hem? Dat is
zeker Eli. Hij doet snel zijn sandalen aan, grist zijn mantel van de spijker en
loopt naar de slaapplaats van Eli.
'Hier ben ik, Eli. Hebt u mij geroepen?'
De oude man schrikt wakker.
'Hè? Is er wat, Samuël? Waarom
maak je me wakker?'
'U hebt me toch geroepen?'
'Welnee! Je hebt je vergist. Ga maar weer lekker slapen,
hoor!'
'Ja, vader Eli. Welterusten!'
'Welterusten, Samuël.'
Rillerig kruipt Samuël weer onder
zijn wollen deken. Hij slaapt weer in.
'Samuël!' klinkt het voor de
tweede keer.
Nu heeft Eli toch echt geroepen.
Maar, nee hoor!
Als Samuël voor de derde keer komt
vragen of Eli hem nodig heeft, slaat de priester verschrikt zijn hand voor de
mond.
'O, wacht eens... Ik geloof dat ik het begrijp. Misschien...
misschien roept God je wel. Als je nu weer die stem hoort, moet je maar zeggen:
'Spreek, Heer, want uw knecht hoort...''
Samuël knikt ernstig. Ja, hij heeft het
begrepen. Langzaam, met kloppend hart en een rode kleur loopt hij weer terug
naar zijn slaapplaats. Zou het waar zijn? Zou God willen praten met een jongen
zoals hij? Hij kruipt wel onder de deken maar van slapen komt niets meer.
Ja, daar klinkt het weer heel duidelijk: 'Samuël! Samuël!'
Meteen is hij overeind en stamelt: 'Spreek, want uw knecht
hoort!'
En daar, gewoon vlak bij zijn bed, gaat de Here God met Samuël praten alsof
Hij zijn vriend is. Hij maakt hem zijn plannen bekend. Alle slechte dingen van Hofni en Pinehas heeft God gezien
en zij zullen ervoor gestraft worden. Moet hij, Samuël,
deze moeilijke boodschap morgen aan Eli brengen?
Daar ziet hij erg tegenop.
Maar dan weet Samuël diep van
binnen: God wil hem gebruiken als zijn eigen knechtje. Is dat niet fijn?