OT32 - ANDERS
DAN DE ANDEREN
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Haha, pak hem! Sla hem neer! Goedzo!’
Een paar Filistijnse jongens zijn
bezig een oude Israëliet te beroven. De arme stakker blijft kreunend op de
grond liggen en de dieven nemen de benen. Waarom doen ze zo gemeen? Hebben hun ouders hen niet geleerd wat goed en kwaad is?
Nee. De Filistijnen, een buurvolk van de Israëlieten, leven
zonder God. Ze zijn flink agressief en vallen telkens Israëlieten lastig.
Eigenlijk is het de Israëlieten hun eigen schuld. Ze hebben eerst de
Filistijnen bewonderd om hun manier van leven, dat ze zo stoer waren en zo goed
ijzer en brons konden smeden. Zelfs hun goden werden alom vereerd. Nu zitten ze
met de gevolgen.
Op een heuvel vlakbij staat een jonge Israëliet. Zijn benen
wijd uiteengeplant, zijn handen in de zij. Hij heeft gezien wat die knullen
deden. Een grote woede borrelt in hem op. Hoe durven ze, dat roversvolk. Met
een ruk werpt hij zijn dikke haarvlecht naar achteren en beent weg, de dieven
achterna.
Wie is die jongen die zo anders is als alle anderen?
Met zijn brede schouders, zijn lange haar is hij een opvallende verschijning.
Maar vooral in zijn doen en laten is hij anders. Hij haat onrecht. En
hen die verkeerd doen, zegt hij recht in hun gezicht de waarheid. Veel
vijanden heeft hij daardoor, maar ook veel vrienden. Goedlachs en altijd in
voor spanning en avontuur, dat is Simson, de zoon van
Manoah uit Zora. Maar hij
is meer. God heeft hem geroepen om zijn volk te leren, dat die Filistijnse manier van leven absoluut verkeerd is. Kijk,
hij geeft die knullen er flink van langs. De oude man krijgt zijn beurs terug.
‘Ben je weer in Mahane geweest?’
vraagt moeder Jesbat als hij onder de schrammen
thuiskomt. ‘Blijf toch bij die Filistijnen vandaan. Moet je eens kijken hoe je
eruitziet.’
Simson haalt
zijn schouders op. Die paar schrammetjes... Zijn woede
is alweer gezakt.
‘Mam,’ zegt hij vrolijk, ‘De
jongens van Pura hebben mij uitgenodigd
om
vanmiddag op hun feestje te komen...’
‘Denk eraan, geen wijn drinken, hoor!’ zegt Jesbat bezorgd. ‘Zelfs geen druivensap, dat weet je.’
Simson zucht.
‘Ik ben geen klein kind meer. U heeft me goed
ingeprent wat ik wel mag en wat niet. Trouwens... ik wil zelf ook graag een
knecht van God zijn. Al is dat lange haar wel lastig.’
‘Nooit af laten knippen, hoor! Dat betekent dat je een
bijzonder mens bent voor God.’kan moeder toch niet laten te
zeggen. Simson staat ongeduldig op.
‘U bent een schat van een moeder, maar u moest alleen niet
zo bezorgd zijn. En voor straf...’
Bij wijze van grap tilt hij haar zo maar van de grond.
‘Laat me los, kwajongen.’ lacht ze en trommelt met haar
vuisten op zijn schouders. Hij dreigt haar op de kast te zetten als ze niet
belooft vanavond lekkere uiensoep klaar te maken, wat ze natuurlijk gauw
toezegt.
Even later kijkt Jesbat hem na.
Haar beresterke Simson. Wie had ooit gedacht dat zij,
klein vrouwtje, nog eens zo’n zoon zou krijgen. Zelfs
was er een tijd geweest dat ze dacht helemaal geen kinderen te kunnen krijgen.
Haar gedachten dwalen terug naar die dag, zo’n
zeventien jaar geleden.
Het was in de tijd van de druivenoogst. De grote bruine haan
was weggelopen en Jesbat ging hem zoeken in het veld.
Plotseling stond er iemand voor haar, die haar aansprak met de woorden: ‘Vrouw,
u zult een zoon krijgen, een bijzonder kind... Hij mag zijn haar niet
afknippen en geen wijn drinken, want God wil hem gaan gebruiken om Israël te
verlossen uit de macht van de Filistijnen.’
Och, wat schrok ze. Haar hart ging als een razende tekeer.
Wat moest ze zeggen, wat moest ze doen? O, was Manoah,
haar man maar hier. Vlug rende ze naar huis.
‘Manoah! Manoah!
Ik heb een soort van man van God gezien, een engel denk ik. Zo eng!’
Manoah stond
natuurlijk gek te kijken.Gauw liep hij met haar mee,
maar... die man was verdwenen. Jammer! Hij had nog zoveel te vragen.
‘O, Here God,’ bad hij dan ook,
‘wilt u hem nog eens naar ons toesturen, alstublieft.’
En ja, hoor! Op een dag, kort daarna, kwam Jesbat hem zenuwachtig roepen. De man was er weer. Zo
hoorden zijn eigen oren het blijde nieuws. Nog niet helemaal tevreden nodigde
hij hem uit
om
te blijven eten. Maar dat wilde de man niet.
‘Offer het eten maar als een brandoffer aan de Here,’ zei hij. Manoah bedacht
plotseling dat hij niet eens wist hoe de man heette. Beleefd vroeg hij hem dus
naar zijn naam.
‘Waarom vraagt u dat? Mijn naam is immers WONDERBAAR?’
was het raadselachtige antwoord. Manoah dacht na.
Wonderbaar? Wie heet nou zo? Langzaam drong het tot hem door dat het niet zo
maar een man, maar een engel was. Met bevende handen offerden Manoah en Jesbat hun mooiste
geitenbokje en nog wat koeken op een rotsblok. En dan... deed de engel voor hun
eigen ogen een wonder. Terwijl de vlam van het offer omhoogging, voer hij op
naar de hemel.
‘We zullen sterven, omdat we dit gezien hebben!’ riep Manoah ontzet. Maar Jesbat zei
nuchter: ‘God heeft ons toch immers een zoon beloofd?’
Precies zoals was aangekondigd, gebeurde het. Simson werd geboren, een stevige gezonde baby. Zij voedden
hem op zoals de engel hen had bevolen. En nu hij wat ouder werd, ging God hem
steeds meer gebruiken.
‘Mèmèè!’ Het gemekker van de
kleine geit bij het hek, die gemolken wil worden, brengt Jesbat
weer terug in de werkelijkheid. Met een zucht pakt ze het emmertje op en gaat
aan het werk. In haar hart is een gebed, dat God haar zoon zal bewaren. Ginds
in het grensgebied stijgt een pluimpje rook naar boven. De Filistijnen hebben
een boerderij in brand gestoken. Zou Simson het ook
zien?