Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Soms hoor je oudere mensen wel eens vertellen over grote
dingen die God voor hen gedaan heeft. Je hoort van gebedsverhoringen en
uitreddingen en dan denk je bij jezelf: Zou God dat nu nog doen, of was dat alleen
maar voor vroeger?
Of het gaat door je heen: ’t Zal
wel flink overdreven zijn, want ik maak zoiets nooit mee.
Nou, dat dachten de kinderen van de Israëlieten ook, als de
verhalen hoorden van vroeger, over dat hun opa’s en oma’s droogvoets door de Rode
Zee waren gegaan. Ja, het zal wel, hoor! Vroeger was alles beter.
Maar op een dag…. maakten ze zelf
zoiets mee. Wat een onvergetelijke belevenis.
Na de dood van Mozes trok Jozua aan het hoofd van het volk
verder naar het Beloofde Land.
Op een dag zei de Here God tegen
hem: ‘Jozua, nu
mijn dienaar Mozes is gestorven, moet jij je gereedmaken om met heel dit volk
de Jordaan over te trekken. Ga naar het land dat ik jullie zal geven. Elk stuk
grond dat jullie zullen betreden geef ik jullie, zoals ik Mozes heb beloofd.’
Het leek wel of God aan
Jozua de landkaart voorlegde. In gedachte volgde Jozua Gods vinger van zuid
naar noord en van west naar oost. ‘Van de woestijn en de Libanon tot de Eufraatrivier en van de zee tot de Jordaan. Zie je wel? Dat
hele land zal voor jullie zijn, maar je moet het wel innemen.’
Er vlogen allerlei gedachten door Jozua’s
hoofd. Zou hij het wel aankunnen? Hij voelde zich niet zo wijs en verstandig
als Mozes. Het was een hele verantwoordelijkheid!
Maar, de Here was zijn coach. Hij
sprak hem moed in met de woorden: ‘Zolang je leeft zal niemand tegen je kunnen
standhouden. Zoals ik Mozes heb bijgestaan zal ik jou
bijstaan. Houd mijn wet in gedachten, dag en nacht. Daarin schuilt je
kracht. Ik zal je niet verlaten. Vooruit, zet hem op, Jozua!’
Jozua slikte zijn angst weg, rechtte zijn knikkende knieën
en nam in geloof de volgende stappen.
Voordat de hele operatie in gang gezet werd moesten
twee spionnen de stad Jericho verkennen die aan de
overkant van de Jordaan lag. Ze kwamen met de boodschap terug,
dat de inwoners van het land doodsbang voor Israël waren. Nou, dat was in ieder
geval al gunstig.
Toen riep Jozua uit elke stam een potige kerel op, twaalf
bodybuilders dus, die vijftig tot honderd kilo konden dragen. Je was natuurlijk
beretrots als jouw vader of broer daarbij was.
‘Hé, Jakob, leg je halters neer.
Bij Jozua komen!’
Ook de priesters werden opgeroepen voor een briefing. Ze
zouden een belangrijke rol spelen bij Operatie Intocht’… Ze gingen zich vlug
omkleden. Waren hun kleren schoon en gestreken?
Wat een drukte.
De kinderen keken hun ogen uit, vooral toen… de Heilige Ark
te voorschijn werd gehaald uit de tabernakel, de tent
van God.
‘St! Kijk, de ark! Zie je die twee
engelen bovenop? En het deksel? Dat heet het verzoendeksel.’
‘Ja, dat weet ik ook wel, suffie.’
‘O ja? Maar jij weet niet wat er in zit… Ik wel.’
‘Nou? Wat dan?’
‘De twee stenen tabletten met de wet van God!’…
‘Kinderen,’ werd er geroepen,
‘opschieten. Pak je spullen in, we moeten over een uurtje vertrekken!’
Maar hoe konden ze nou naar het Beloofde Land vertrekken? De
Jordaan was ver buiten zijn oevers getreden door de grote regenval van de
laatste weken. Moesten ze soms gaan zwemmen?
Het werd een onvergetelijke en plechtige tocht. Voorop
liepen de priesters met de ark. Toen zij met hun voeten het water aanraakten
gebeurde er iets heel bijzonders. Het water week terug. Het bleef gewoon staan
als een dam.
‘Ooohhhh! Kijk nou toch eens!!!!’ klonk het uit duizenden kelen.
Midden in de rivier bleven de priesters staan en een
eindeloos lange rij van Israëlieten liep eerbiedig en ook wel een beetje bang
voor die muur van water, langs hen. Droogvoets kwamen ze allemaal aan de
overkant.
En die sterke mannen, die opgeroepen waren? Wat moesten zij
dan doen? Kinderen dragen of bagage? Nee hoor! Ze moesten midden uit de
rivierbedding een grote steen oppakken en naar de overkant dragen.
Met veel vertoon van spierbundels maakten ze er een
spelletje van om de zwaarste steen mee te nemen. De toeschouwers klapten voor
hen. ’t Was een prachtige vertoning. Die stenen wilde
Jozua later gebruiken om er een gedenkteken van te maken, zodat de kinderen van
hun kinderen zouden zien waar ze door de Jordaan getrokken waren.
Jozua zelf maakte van twaalf stenen een gedenkteken in de
rivier. Het zou gedeeltelijk onder water staan en gedeeltelijk erbovenuit
steken als het water terugvloeide.
Het hele volk, mannen, vrouwen en kinderen stond te kijken
toen Jozua arriveerde. De laatste priester zette ook voet aan wal, en toen…
stortte met machtig gebruis de watermuur weer in. De rivier de Jordaan stroomde
weer alsof er niets gebeurd was.
‘Hoera voor onze nieuwe leider: JOZUA!!’
riepen de mensen.
Jozua glimlachte en zei: ‘Dank God, hij is bij machte oneindig
veel meer te doen dan wij kunnen bidden of bedenken. Alle volken van de aarde
moeten weten, hoe machtig hij is!’