Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Oei! Oei! Er is een grote verwarring en angst in het vroeger
zo mooie land Egypte. De mensen slaan zich op de borst van wanhoop en schuilen
weg in hun huizen. Na al de ellende van de laatste tijd, plaag op plaag, veepest,
hagel, sprinkhanen, heeft nu de belangrijkste god hen in de steek gelaten. Ra,
de zonnegod, die elke dag in zijn prachtige wagen langs de hemel gaat, is nu al
drie dagen weggebleven. Hoe kan dat? Het dagelijkse leven is ontwricht.
In het Grote Huis vergadert de Farao koortsachtig met zijn
raadgevers en de Hogepriester van de tempel van Ra.
'Het komt allemaal door die God van de Hebreeën,' buldert
hij. M'n hele land ligt in de vernieling. Voor
miljoenen schade is er aangericht... En nu deze dikke duisternis.'
'Hogepriester,' vervolgt hij nijdig, (Z'n lippen versmallen
zich tot een streep.) 'Welke van onze goden is er in staat om hier iets tegen
te doen?'
De hogepriester zwijgt in alle talen. Hij heeft gedaan wat
hij kon, extra grote offers gebracht, gebeden opgezegd, horoscopen getrokken...
Farao begrijpt zijn ongesproken woorden. Hij buigt het hoofd. 'Goed dan.'
besluit hij wijselijk. 'We zullen de slaven laten vertrekken, maar zonder vee.
Dat is van mij. Roep die Hebreeuwse leiders.'
Terwijl dit bevel wordt uitgevoerd, komt een knecht het
verheugende nieuws melden dat het buiten weer licht wordt.
'Nee, majesteit, ook ons vee moet mee,' zegt Mozes kortaf
als hij het voorstel van de Farao hoort, 'geen hoefje mag ontbreken.'
Nee? Tegen de Farao? Heeft dit woord in deze zaal hier ooit
geklonken? Hoewel Farao op een verheven troon zit en Mozes beneden aan de
trappen staat, lijkt het wel of hij de gelijke is van de Farao. Maar Mozes weet
dan ook, dat God hem opdracht geeft om zijn geslagen volk te bevrijden. O, hij
voelt drommels goed dat Ramses hen weer niet zal
laten gaan en dat maakt hem heel kwaad. De dienaren van de Farao gniffelen
achter hun hand. Mozes is erg populair onder hen. Ze mogen hem graag. Die kerel
heeft lef. Het lachen vergaat
hen echter als de Farao buldert: 'Van uw God?? Ik haat die God. Vooruit, laat
me jullie gezicht nooit meer zien, anders zal ik jullie laten doden!'
Mozes geeft lik op stuk. 'Inderdaad,'
antwoordt hij ijzig beheerst, 'Uwe majesteit zal ons gezicht niet meer zien,
want God zal midden in de nacht door Egypte gaan en ELKE EERSTGEBORENE DODEN.
Van het vee, de mensen en ook van u, eerbiedwaardige Heer van het Grote Huis.
Dan zullen uw knechten op hun knieën smeken of we willen vertrekken...'
Zonder op een reactie van de Farao te wachten, verlaat hij
met Aäron de troonzaal.
'Nee, maar.' zegt de Farao.
'Ongehoord,' fluisteren de lakeien.
'Haha!' spot de kroonprins, die
gekleed in goudbrokaat, een pantervel om zijn schouders, naast zijn vader zit,
'Alle goden van Egypte zullen mij beschermen.'
'De Heer zal jullie beschermen,' zegt Mozes tegen het volk
zodra ze allemaal bij elkaar geroepen zijn. 'Maar... luister heel goed naar
onze instructies.'
En de mensen die allang niet meer twijfelen aan hun leider,
kijken hem gespannen aan. Dan vertelt Mozes wat de Here
van plan is te gaan doen. Op de tiende nacht van de
maand zal een engel door het land trekken en alle eerstgeborenen doden. Overal,
in alle huizen zal die engel komen, behalve... DAAR WAAR HET BLOED VAN EEN LAM
OF GEIT AAN DE DEURPOST IS GESMEERD.
'Braad het dier aan het spit en eet het helemaal op, met uw
gezin of samen met een ander gezin. Eet er ook matzes bij en bittere groenten. Maak u helemaal klaar om onmiddellijk te vertrekken als wij
het sein geven. Begrepen?'
Dan barst het rumoer los. Iedereen wil wel iets vragen.
Op de negende van de eerste maand heerst er een opwindende
drukte bij de Israëlieten. Er worden dingen verhandeld die niet mee te nemen
zijn, koffers gepakt en laatste regelingen getroffen.
'Mam, waar moet ik deze potten laten?'
'Jona, ga even een bosje hysop
plukken, dan kan pappa het bloed aan de deurpost smeren.'
'Mag ik dat doen, pappa?'
'Nee, m'n kind. Dit is van het
allergrootste belang. Dat doe ik zelf. Houd jij de schaal maar vast.'
'Jakob, daar is de tentenhandelaar
met de nieuwe tent.'
De hele dag door een geren en gevlieg, maar als de avond
valt, verdwijnt een ieder in zijn huisje, schuilen allen achter de met bloed
bestreken deur. Met kloppend hart, dat wel.
Ja, hoe moet ik je die nacht nou beschrijven, die gruwelijke
nacht dat God scheiding maakte tussen Egypte en Israël? Terwijl het volk van
God bij het schijnsel van olielampen het paaslam opeet, terwijl ze hun liederen
van geloof met bibberende stem zingen, hoor je buiten overal koeien loeien, paarden
hinniken, mensen in wanhoop gillen en jammeren. Er is angst en dood, woede en
machteloosheid.
'Pappa, waarom is deze nacht anders dan de andere nachten?'
vraagt een kind.
'M'n zoon, o m'n
zoon!' jammert de Farao. Zijn trots, zijn toekomst, zijn hoop, alles ligt in
scherven. Hij klemt zijn dode kind in zijn armen en vervloekt al zijn
onmachtige goden.
'Laat die Hebreeën weggaan, alsjeblieft, met alles wat ze
mee willen nemen!' brult hij wanhopig. 'En laten ze bidden voor mij en mijn
volk.'
'Ga, ga alsjeblieft,' smeken Farao's knechten Mozes. 'Hier,
neem deze sieraden mee, deze gouden borden en die ring.'
Als de zon de volgende dag opgaat in rozerode kleuren begint
er voor het volk van God een onvergetelijke dag, een nieuw tijdperk. Juichend passeert
gezin na gezin de landsgrens. Het oude is voorbij. Met
al hun bezittingen en al hun vee, vertrekken de Israëlieten op weg naar het
Beloofde Land.