Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Hé, pap!' roept Gersom de zoon
van herder Mozes. 'Mag ik uw staf even lenen om koninkje te spelen? Ja? Ik zal
er heel voorzichtig mee omgaan.'
Hij heeft ergens bij wat oude spullen in de tent van zijn vader
een stoffige, maar heel mooie doek gevonden van bijzondere stof. 't Lijkt wel een koningsmantel. Daar kun je leuk mee spelen.
Er ontbreekt alleen nog maar een scepter aan, een koningsstaf. Al een paar
dagen heeft hij naar zijn vader uitgekeken, popelend van ongeduld om zijn leuke
spel te spelen. Maar vader is niet erg in de stemming voor een spel. Gersom krijgt een flink standje.
'Hoe kom je aan die doek? Heb je in m'n
oude spullen zitten snuffelen? Leg weer gauw terug. Of
nee...' bedenkt hij zich, 'laat ook maar. Ik moet je iets vertellen. Roep mamma
en de anderen eens.'
En dan, samen met de hele familie en de knechten, hoort Gersom voor het eerst het verhaal van vader, die als prins
in het paleis van de Farao had geleefd. Die doek heeft vader vroeger echt
gedragen. Gersom krijgt er
rode oren van. Dit verhaal is spannender en romantischer dan je ooit kon
fantaseren.
'En waarom vertel ik dit nou aan jullie?' gaat vader verder.
'Jij, Zippora en u vader Jeter,
weten het allemaal al lang. En de jongens hoeven het eigenlijk niet te weten.
Maar er is mij deze week iets ongelofelijks overkomen. Toen ik met de schapen
aan de overkant van de woestijn was, bij de berg Gods, weet je wel? Heb ik de
engel des Heren gezien.'
'DE ENGEL DES HEREN?'
Iedereen slaat vol schrik de hand voor de mond. Gersom kruipt gauw wat dichter naar zijn opa, de oude
priester Jeter. Die slaat kalm zijn arm om hem heen.
'Ja echt,' gaat Mozes verder. Hij vertelt het hele verhaal
van de braamstruik die brandde en alles wat God hem zei. Je kunt wel zien dat
het grote indruk op hem heeft gemaakt. Hij vergeet werkelijk geen een klein
woord.
Als Mozes uitgesproken is, is het even heel stil daar op die
open plek voor de tenten. Iedereen is op zijn manier bezig dit te verwerken.
Mozes kijkt de kring eens rond. Daar zitten ze, de mensen
voor wie hij leeft: zijn schoonvader en moeder, zijn vrouw en kinderen en ook
de knechten en dienstmeisjes, een hele groep. Dat is even slikken.
'Jeter,'
zegt hij ontroerd, 'U begrijpt wat dit betekent. Wij moeten teruggaan naar
Egypte, want God gaat zijn volk verlossen. En deze staf, waar jij koninkje mee
wilde spelen, Gersom... die staf IS NIET MEER VAN
MIJ. HET IS NU GODS STAF GEWORDEN! Ik mag hiermee een teken doen, zodat mijn
volk en de Farao zullen geloven dat God mij echt stuurt.'
Gersom is dol opgewonden. Hoi, hoi! Zijn
vader wordt de baas van een heel volk. Gaaf! Kun je lekker bevelen.
Maar zo licht als Gersom erover
denkt, zo zwaar is het voor zijn vader. Terwijl Mozes op weg naar Egypte, het
onwillige ezeltje voorttrekt, waarop wat huisraad is geladen, loopt hij maar te
piekeren. Zal het volk wel naar hem willen luisteren? En die machtige Farao?
Gods woorden klinken door in zijn hart: 'Denk eraan, Mozes,
dat je voor Farao alle tekenen doet, die Ik je in je macht heb gegeven. Je moet
zeggen: 'ZO ZEGT DE HERE. ISRAEL IS MIJN EERSTGEBOREN ZOON, LAAT HEM GAAN. HIJ
MOET MIJ DIENEN EN ALS U HEM NIET LAAT GAAN, ZAL IK UW EERSTGEBOREN ZOON
DODEN!'
Het zweet breekt Mozes uit als hij eraan denkt dat hij dat
allemaal moet zeggen tegen die vreselijke heerser, de Farao. O, hij is nooit zo'n vlotte prater geweest en zeker niet na al die jaren
hier in Midjan, dit stille land met alleen maar
schapen om je heen.
'Vort beest, doorlopen.' moppert hij.
Met zijn vrije hand boven de ogen tuurt hij in de verte. God
heeft beloofd dat Hij zijn broer Aäron naar hem toe
zou sturen om het woord voor hem te doen. Als die nou niet komt? Dan gaat hij
af als een gieter.
Maar Aäron komt wel. Bij de berg
Gods ontmoeten de twee broers elkaar. Ja, daar worden je ogen wel nat van, dat
begrijp je. Als je elkaar veertig jaar niet gezien
hebt... Er worden heel wat verhalen verteld. Mozes stelt zijn vrouw en kinderen
aan zijn broer voor en Aäron op zijn beurt, vertelt
hoe erg de slavernij in Egypte geworden is.
Maar het allerbelangrijkste is toch wel wat God tegen Mozes
heeft gezegd: HET VOLK GAAT BEVRIJD WORDEN!!
'Deze staf, broer,' zegt Mozes, die
nu wel weer meer moed heeft gevat, 'is het teken dat God de heerschappij heeft.
Farao zal naar ons moeten luisteren, anders...'
'Ja, God heeft onze ellende gezien.' zegt Aäron ontroerd.
'God heeft onze ellende gezien.' zegt Aäron
tegen de oudsten van het volk, als ze na een wekenlange reis eindelijk in Gosen aankomen.
'Och, als dat eens waar is,' klinkt het ongelovig om hen
heen. Overal staan oververmoeide mensen met magere kromgewerkte
lijven. Vroeggrijs van verdriet, geslagen en
gewond... Honderden jaren van onderdrukking.
Aäron vertelt hen alles wat God heeft
gezegd en Mozes doet voor hun ogen de tekenen die God hem heeft gegeven. Meteen
vlamt de hoop op. Het is werkelijk waar. Er gaat een eind komen aan de
slavernij. Als één man knielen ze neer en buigen voor God.
Onder al die mensen staat Gersom.
Besefte hij eerst niet wat het betekende om slaaf te zijn, nu ziet hij de
ellende overal om zich heen. Hij veegt met zijn mouw langs z'n
ogen en knielt eerbiedig neer. Wat heeft hij in een paar weken tijds veel geleerd. O nee, het gaat helemaal niet om baas
te spelen. Vader en oom Aäron zijn geroepen voor een
zwaar werk vol risico's. En die staf van God is hun enige houvast.