OT24a - DE STAF VAN GOD

Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)

 

'Hé, pap!' roept Gersom de zoon van herder Mozes. 'Mag ik uw staf even lenen om koninkje te spelen? Ja? Ik zal er heel voorzichtig mee omgaan.'

Hij heeft ergens bij wat oude spullen in de tent van zijn vader een stoffige, maar heel mooie doek gevonden van bijzondere stof. 't Lijkt wel een koningsmantel. Daar kun je leuk mee spelen. Er ontbreekt alleen nog maar een scepter aan, een koningsstaf. Al een paar dagen heeft hij naar zijn vader uitgekeken, popelend van ongeduld om zijn leuke spel te spelen. Maar vader is niet erg in de stemming voor een spel. Gersom krijgt een flink standje.

'Hoe kom je aan die doek? Heb je in m'n oude spullen zitten snuffelen? Leg weer gauw terug. Of nee...' bedenkt hij zich, 'laat ook maar. Ik moet je iets vertellen. Roep mamma en de anderen eens.'

En dan, samen met de hele familie en de knechten, hoort Gersom voor het eerst het verhaal van vader, die als prins in het paleis van de Farao had geleefd. Die doek heeft vader vroeger echt gedragen. Gersom krijgt er rode oren van. Dit verhaal is spannender en romantischer dan je ooit kon fantaseren.

'En waarom vertel ik dit nou aan jullie?' gaat vader verder. 'Jij, Zippora en u vader Jeter, weten het allemaal al lang. En de jongens hoeven het eigenlijk niet te weten. Maar er is mij deze week iets ongelofelijks overkomen. Toen ik met de schapen aan de overkant van de woestijn was, bij de berg Gods, weet je wel? Heb ik de engel des Heren gezien.'

'DE ENGEL DES HEREN?'

Iedereen slaat vol schrik de hand voor de mond. Gersom kruipt gauw wat dichter naar zijn opa, de oude priester Jeter. Die slaat kalm zijn arm om hem heen.

'Ja echt,' gaat Mozes verder. Hij vertelt het hele verhaal van de braamstruik die brandde en alles wat God hem zei. Je kunt wel zien dat het grote indruk op hem heeft gemaakt. Hij vergeet werkelijk geen een klein woord.

Als Mozes uitgesproken is, is het even heel stil daar op die open plek voor de tenten. Iedereen is op zijn manier bezig dit te verwerken.

Mozes kijkt de kring eens rond. Daar zitten ze, de mensen voor wie hij leeft: zijn schoonvader en moeder, zijn vrouw en kinderen en ook de knechten en dienstmeisjes, een hele groep. Dat is even slikken.

'Jeter,' zegt hij ontroerd, 'U begrijpt wat dit betekent. Wij moeten teruggaan naar Egypte, want God gaat zijn volk verlossen. En deze staf, waar jij koninkje mee wilde spelen, Gersom... die staf IS NIET MEER VAN MIJ. HET IS NU GODS STAF GEWORDEN! Ik mag hiermee een teken doen, zodat mijn volk en de Farao zullen geloven dat God mij echt stuurt.'

Gersom is dol opgewonden. Hoi, hoi! Zijn vader wordt de baas van een heel volk. Gaaf! Kun je lekker bevelen.

Maar zo licht als Gersom erover denkt, zo zwaar is het voor zijn vader. Terwijl Mozes op weg naar Egypte, het onwillige ezeltje voorttrekt, waarop wat huisraad is geladen, loopt hij maar te piekeren. Zal het volk wel naar hem willen luisteren? En die machtige Farao?

Gods woorden klinken door in zijn hart: 'Denk eraan, Mozes, dat je voor Farao alle tekenen doet, die Ik je in je macht heb gegeven. Je moet zeggen: 'ZO ZEGT DE HERE. ISRAEL IS MIJN EERSTGEBOREN ZOON, LAAT HEM GAAN. HIJ MOET MIJ DIENEN EN ALS U HEM NIET LAAT GAAN, ZAL IK UW EERSTGEBOREN ZOON DODEN!'

Het zweet breekt Mozes uit als hij eraan denkt dat hij dat allemaal moet zeggen tegen die vreselijke heerser, de Farao. O, hij is nooit zo'n vlotte prater geweest en zeker niet na al die jaren hier in Midjan, dit stille land met alleen maar schapen om je heen.

'Vort beest, doorlopen.' moppert hij.

Met zijn vrije hand boven de ogen tuurt hij in de verte. God heeft beloofd dat Hij zijn broer Aäron naar hem toe zou sturen om het woord voor hem te doen. Als die nou niet komt? Dan gaat hij af als een gieter.

Maar Aäron komt wel. Bij de berg Gods ontmoeten de twee broers elkaar. Ja, daar worden je ogen wel nat van, dat begrijp je. Als je elkaar veertig jaar niet gezien hebt... Er worden heel wat verhalen verteld. Mozes stelt zijn vrouw en kinderen aan zijn broer voor en Aäron op zijn beurt, vertelt hoe erg de slavernij in Egypte geworden is.

Maar het allerbelangrijkste is toch wel wat God tegen Mozes heeft gezegd: HET VOLK GAAT BEVRIJD WORDEN!!

'Deze staf, broer,' zegt Mozes, die nu wel weer meer moed heeft gevat, 'is het teken dat God de heerschappij heeft. Farao zal naar ons moeten luisteren, anders...'

'Ja, God heeft onze ellende gezien.' zegt Aäron ontroerd.

'God heeft onze ellende gezien.' zegt Aäron tegen de oudsten van het volk, als ze na een wekenlange reis eindelijk in Gosen aankomen.

'Och, als dat eens waar is,' klinkt het ongelovig om hen heen. Overal staan oververmoeide mensen met magere kromgewerkte lijven. Vroeggrijs van verdriet, geslagen en gewond... Honderden jaren van onderdrukking.

Aäron vertelt hen alles wat God heeft gezegd en Mozes doet voor hun ogen de tekenen die God hem heeft gegeven. Meteen vlamt de hoop op. Het is werkelijk waar. Er gaat een eind komen aan de slavernij. Als één man knielen ze neer en buigen voor God.

Onder al die mensen staat Gersom. Besefte hij eerst niet wat het betekende om slaaf te zijn, nu ziet hij de ellende overal om zich heen. Hij veegt met zijn mouw langs z'n ogen en knielt eerbiedig neer. Wat heeft hij in een paar weken tijds veel geleerd. O nee, het gaat helemaal niet om baas te spelen. Vader en oom Aäron zijn geroepen voor een zwaar werk vol risico's. En die staf van God is hun enige houvast.