Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Boingg! Door heel het enorme paleis van de
machtige Farao Ramses de Tweede weergalmt het geluid
van de grote gong.
'De nieuwe prins komt eraan!' roepen de bedienden
zenuwachtig. 'Gauw in de rij staan om hem te begroeten.'
Door de wel vijf meter hoge kolossale deuren komt een
groepje koninklijke
bedienden aanschrijden, keurig in het gelid. En daar helemaal alleen in het
midden... een jongetje met bruine ernstige oogjes en zwart krulhaar. O ja, hij
is bijna net zo mooi gekleed als de grote Farao zelf, een schitterende gouden
kraag om zijn kleine nek en een prachtig geplooide sjaal om zijn smalle
heupjes. Bij de Farao aangekomen maakt hij een keurige buiging, zoals men hem
leerde. Iedereen is gelijk verrukt van het koddige prinsje. Vooral de prinses,
de dochter van de Farao. Dit is nu haar aangenomen zoon. Haar Mozes, die ze uit
de Nijl gered heeft. Maar hoe voelt de kleine jongen zelf zich?
Door een achterdeur waren ze binnengekomen, Jochebed en hij. Een arme herdersvrouw en een herderskind
met een gestreept wollen jasje aan. Huilend had Jochebed
hem voor de laatste keer geknuffeld en moed ingesproken. Kan een kind van vier
wel begrijpen waarom mamma hem alleen laat in het grote paleis? Och, kleine
Mozes voelt zich eenzaam, een vreemdeling, ver van huis.
Het is een jaar of acht later. Er worden paardenrennen
gehouden in de hoofdstad. Duizenden mensen staan langs de kant te kijken naar
de spannende race. Als de winnaar over de eindstreep gaat, gaat er een geweldig
gejuich op. Weet je wie het is? Knappe prins Mozes! Het jongetje van toen. Zie
je wel hoe groot en sterk hij geworden is en zie je zijn fiere houding? Een
beter leven en een betere opvoeding dan hij heeft kun je niet bedenken. Alle
wijsheid der Egyptenaren wordt hem geleerd, want later zal hij waarschijnlijk
Farao opvolgen. En toch, ondanks zijn rijkdom, voelt Mozes zich een vreemdeling
in het paleis.
'Ere aan u, zonnegod Ra.' zingen de priesters in de tempel.
Mozes staat naast de Farao. Het doordringende gezang, het offeren van wierook,
het zijn bekende dingen van elke dag. Straks wordt er uit de ingewanden van
geslachte dieren de toekomst voorspeld.
Maar Mozes staat er minachtend en koel bij te kijken. Hij
weet dat de Egyptenaren de zon aanbidden. Hij ziet hoe men de Nijl vereert en
talloze dieren. Hij krijgt zelf ook een scarabee om, een ketting die geluk
brengt. Maar diep van binnen haat hij het. Hij heeft immers in zijn jonge jaren
door Jochebed de Here leren
kennen?
'De Heer van Opper- en Neder Egypte wil u ontvangen.' zegt
een dienaar plechtig in de wachtkamer van het paleis.
Een klein boertje stuntelt onhandig
naar voren. Men heeft hem onrechtvaardig behandeld en nu gaat hij zijn recht
zoeken bij de Farao. Ja, Farao Ramses spreekt recht.
En Mozes staat aan zijn zijde. Zo leert hij de wetten van het land. Eerlijke
wetten. Ze worden alleen niet eerlijk toegepast. De rijken hebben altijd gelijk
en de armen zijn altijd het slachtoffer.
Mozes haat onrecht. Niet voor niets is hij een nakomeling
van Abraham. Het ergste vindt hij wel, dat zijn eigen volk wordt mishandeld.
Zuchtend onder de zweepslagen van de slavendrijvers moeten ze in de gloeiende
hitte steden bouwen voor de Farao.
'Zoon van de Farao,' noemen de mensen Mozes. Maar wanneer
hij groot geworden is accepteert hij dat niet meer.
'Ik ben een Hebreeër,' zegt hij openlijk. 't
Is maar goed dat de Farao hem niet hoort. Die zou hem gelijk hebben laten
oppakken. 's Avonds voor het slapen gaan staat Mozes vaak naar het noordoosten
te kijken.
'Als ik m'n kans krijg...' denkt hij
dan.
Op een dag gaat hij z'n volk
opzoeken. Onderzoekend loopt hij over de bouwplaats en geeft zijn ogen goed de
kost. Wat een onrecht. De slavendrijvers gebruiken de zweep om een
kleinigheidje. Vooral ouden en zieken zijn de klos. Overal hoor je kermen,
vloeken en bidden. Mozes windt zich erover op. Als hij op een zeker moment zo'n beul op een Hebreeër ziet rammen, kijkt hij snel om
zich heen of niemand het ziet, doodt die gemenerd en begraaft hem in het zand.
Maar... als hij de volgende dag weer door het slavenkamp loopt zijn er twee
Hebreeërs aan het vechten.
'Nou nog mooier!' roept Mozes verbaasd terwijl hij de
schuldige bij z'n nekvel pakt. 'Waarom sla jij hem? 't Is nota bene je landgenoot.'
'Waar bemoei jij je mee?' antwoordt
deze brutaal, 'Wie heeft jou hier als rechter aangesteld over ons? Wou je mij
soms ook doden, net zoals je gisteren met die Egyptenaar deed?'
Mozes draait zich maar gauw om. Hij is hevig geschrokken.
Als deze Hebreeër weet wat hij deed, dan weet Farao het zeker. Snel springt hij
op z'n paard, geeft het de sporen en vlucht... Heel in
de verte, over de grote weg, komt een patrouille soldaten aan om hem te
arresteren.
Maanden later komt Mozes aan bij de bron te Midjan, na een lange woestijnreis. Juist op dat moment zijn
sterke herders ruzie aan het maken met zeven herderinnetjes over wie het eerst
de kudde mag laten drinken. Mozes neemt het natuurlijk weer voor de zwakkeren
op.
'Hé, die meisjes waren eerst. Maak dat je wegkomt!'
schreeuwt hij kwaad, 'Anders krijg je met mij te doen.'
De meisjes zijn maar wat blij met deze aardige vreemdeling. Al gauw zit hij bij
hen thuis lekker te eten. Schapenvlees met groentesaus. Hun vader Reüel, een priester, vraagt hem waar hij vandaan komt.
Zodra Mozes zijn hele verhaal heeft verteld, besluit hij hartelijk: 'Mozes,
blijf bij ons wonen. Bij ons ben je echt welkom. Ik geef je zelfs mijn dochter Zippora als vrouw.'
Wordt Mozes nu een Midjaniet in
het land Midjan en worden zijn kinderen ook Midjanieten? Nee, toch niet. Het verlangen naar zijn volk
blijft.
'Gersom.' noemt hij zijn oudste
zoon, dat betekent vreemdeling, want Mozes voelt zich nog steeds een
vreemdeling in een vreemd land.