OT22a - Het biezen
mandje
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Heel
voorzichtig gluurde Jochebed door het raam naar
buiten. Ze meende voetstappen te horen. Wie was daar? Vriend of vijand? O,
gelukkig, het was Amram haar man, die uit zijn werk
kwam. Wat was hij weer moe, donkere kringen onder zijn ogen, zijn rug gebogen.
Het was
hard werken op de steenfabriek van de Farao, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat, zonder pauze. Werken, werken en nog eens werken! En vaak nog zweepslagen
krijgen als iets de opzichter niet beviel. Vaak genoeg had Jochebed
de rode striemen met zalf in moeten smeren. Ze zuchtte. Wanneer zou er een eind
komen aan dit vreselijke slavenleven. Wanneer zouden zij en het volk van de
Hebreeën rustig onder hun eigen vijgenboom kunnen zitten?
Amram, Jochebed en hun kinderen, Mirjam en Aaron, waren Hebreeën,
zo werden de nakomelingen van Jakob genoemd toen ze
nog schapenhoeders waren. De Egyptenaren noemden hen zo omdat ze steeds ‘prrr!’ riepen naar hun schapen. Zelf hielden ze geen
schapen. Dat werk vonden ze minderwaardig.
Ze waren in
Egypte komen wonen toen Jozef onderkoning was. Dat was al weer bijna
vierhonderd jaar geleden. Inmiddels was het een flink
volk geworden. God had hen gezegend met veel sterke mooie kinderen. Maar toen
er een nieuwe Farao kwam, die de geschiedenis niet kende, die niet wist wat
Jozef had gedaan voor Egypte, vond hij de Hebreeën een bedreiging. Er waren er
veel te veel. Straks kwamen ze nog in opstand.
Dus werd er
een bevel uitgevaardigd, dat de jongensbaby’s gedood moesten worden.
‘In de Nijl
gooien!’beval hij streng. En de rest van het volk moet mij als slaven dienen in
de steenfabrieken. Ik wil een nieuwe stad bouwen en daar kan ik wel wat slaven
bij gebruiken!’
Niemand die
hem tegensprak. Men keek wel uit, veel te gevaarlijk.
Juist in
die tijd werd er een zoontje geboren in het gezin van Amram
en Jochebed. Wat waren ze blij met hem. Maar ze
konden hun blijdschap met niemand delen, want dan zou iemand hen misschien
verraden. Je moest er niet aan denken. Hun kleine schat door de soldaten in de
Nijl gegooid!! Jochebed
klemde haar lieve zoontje stijf tegen zich aan en overlaadde hem met kusjes.
Ook Mirjam
en Aaron hielden hun geheim goed verborgen. Ze sliepen slecht en bij het minste of geringste geluid waren ze alert.
Het eerste
gebrabbel van een baby is zo leuk om aan te horen. Kleine prr
en brr geluidjes, een mondje dat lacht. Maar het
maakte ook de kans op ontdekken groter. Zodra de baby maar een kikje gaf, kreeg het te drinken van Jochebed.
Ze stopten tussen door ook wel een katoenen dotje met honing in zijn mondje,
waar hij vervoed op ging sabbelen. Zo gingen de weken
voorbij.
‘O Vader
God, bewaar ons toch,’baden ze ernstiger naarmate het stemmetje harder en
harder klonk. Ze beseften goed, dat het niet lang meer zou duren voordat de
soldaten zouden binnenstormen. Het werd tijd voor…
De
noodoplossing.
Op een
morgen ging Jochebed naar de rivier en plukte een
heleboel biezen. Thuisgekomen begon ze een mooie mand te vlechten, wat ze met pek besmeerde, zodat het waterdicht was.
De volgende
morgen, het was nog donker, legde Jochebed haar
zoontje voorzichtig in het mandje, liep snel naar de rivier, legde het tussen
het riet en ging vlug weer naar huis, want niemand mocht ook maar iets merken.
Mirjam was meegegaan. Zij bleef op een afstandje van de rivier staan om te zien
wat er met haar broertje zou gebeuren.
Toen het
licht was geworden, kwam er een groepje vrouwen aan. Mirjam hield haar adem in.
Het was de dochter van de Farao met haar slavinnen, die zoals elke morgen hier
kwamen baden in de rivier.
Mirjam
wachtte gespannen wat er zou gaan gebeuren. Zouden ze het mandje vinden? Ja
hoor! Ze hoorde de prinses tegen een van haar slavinnen roepen: ‘Daar drijft
een mandje. Haal het eens vlug, dan kan ik kijken wat er in zit.‘
Mirjam
hield haar hart vast. Oh, de prinses deed het deksel open. Ze zag het jongetje
liggen, dat meteen begon te huilen. De prinses begreep, dat het een kind van de
Hebreeën was, dat verdronken had moeten worden. ‘Het is zo’n
mooi kind. Ik heb het gevonden. Het is nu van mij. Ik noem hem Mozes!’
Ze pakte
hem uit het mandje en wiegde hem heen en weer op haar armen. Maar Mozes begon
weer te huilen. Hij had honger. Hoe moest dat nu? De prinses kon hem niet
voeden en de slavinnen ook niet.
Mirjam had
alles op een afstand gehoord. Ze kwam eerbiedig dichterbij.
‘Zal ik
voor uwe hoogheid iemand halen die het kind kan voeden?’ vroeg ze eerbiedig. Ik
ken wel een vrouw, die dat kan.’
Vol
verwachting keek ze de prinses aan.
‘Ja, doe
dat. Maar wel een beetje snel!’antwoordde de prinses.
Mirjam
holde naar huis en maakte af en toe een sprongetje van vreugde. Vlakbij huis
begon ze al te roepen: ‘Mamma, mamma, kom vlug!’
Jochebed
had al die tijd gespannen gewacht op bericht van haar kleine lieveling. Ze kwam
meteen naar buiten. Mirjam vertelde hijgend wat er aan de hand was. Ze
struikelde over haar woorden.
‘Kom vlug
mee, mam! De prinses wil dat je ons broertje voedt.’
Jochebed
rende achter Mirjam aan naar de rivier.
Haar hart
bonsde als een gek toen ze een diepe buiging voor de prinses maakte.
‘Vrouw,’vroeg de prinses, ‘dit kind heb ik gevonden. Het is de
komende Farao, die de Nijl af kwam varen in deze boot, net zoals mijn
voorouders vanuit de hemel in een boot de Nijl af kwamen varen. Het kind is
heel kostbaar, maar ik kan hem niet voeden. Kunt u dat wel?’
‘Ja,
hoogheid,’zei Jochebed met een rode kleur.
‘Hoe heet
je?’
Mozes
hoorde de stem van zijn moeder en draaide zijn kopje om. Hij stak zijn handjes
uit en begon nog harder te schreeuwen.
Jochebed
popelde om hem weer in de armen te nemen.
‘Ik ben Jochebed, de vrouw van Amram, uw
nederige dienaar, hoogheid.’
‘Goed, neem
hem maar mee. Ik stuur een paar soldaten mee om op hem te letten. Zorg goed
voor hem, totdat hij zindelijk is. Ik zal je er goed voor betalen.’
Jochebed
kon haar vreugde niet bedwingen, maar ze moest toneelspelen, anders stond het
leven van haar kind op het spel.
Eindelijk
overhandigde de prinses Mozes aan Jochebed. O, wat
was ze gelukkig. Toen ze uit het zicht was van de prinses, ging ze aan de kant
van de weg zitten tegen een boom en gaf hem de borst. Ze hoefde niet meer bang
te zijn voor de soldaten. God had hen hun zoon terug gegeven, want hij had een
heel bijzonder plan met Mozes.