OT21 - DIE
NARE MAN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Die man, die man!' moppert vader Jakob.
Waarom hebben jullie dan ook aan hem verteld dat je nog een broer hebt?'
Zijn zoons leggen hem voor de zoveelste keer uit, dat die
onderkoning er zelf naar gevraagd had.
'Moesten we dan soms liegen? Wij konden toch ook niet weten
dat hij Benjamin per se wilde zien?'
Jakob, boos, angstig, strijkt weifelend
langs zijn baard. Als er wat met Benjamin zou gebeuren...? Maar Juda weet zijn
vader te overtuigen.
'Vader, als we nu niet gaan zullen we allemaal sterven van
de honger. En ikzelf zal zorgen voor Benjamin. Heus, er zal er hem niets
overkomen.'
Jakob maakt een machteloos gebaar. 't Is waar. De hongersnood is groot in het land.
'Nou, ga dan maar... Neem een geschenk mee voor die man. 'k
Hoop dat hij Simeon dan ook weer vrijlaat. O ja, neem ook dat geld weer mee dat
boven in jullie zakken gelegd was. Misschien was het een vergissing.'
Hoofdschuddend loopt hij weg, mompelend: 'Moet ik dan al
mijn kinderen verliezen? Eerst Jozef, nu Simeon en straks Benjamin?'
Lang nadat ze zijn vertrokken staat de oude man hen na te
kijken bovenop de heuvel.
Na een voorspoedige reis staan de zonen van Jozef op een dag
weer in de rij om koren te kopen. Jozef heeft ze al lang gezien. Fluisterend geeft
hij een bevel aan zijn huisbestuurder.
'Breng die mannen naar mijn paleis. Vanmiddag zal ik samen
met hen dineren.'
De broers weten niet wat er met hen gaat gebeuren. Bang en
verward lopen ze achter die man aan.
'Ze brengen ons naar de gevangenis vanwege het geld dat in
onze zakken lag.' zegt Ruben tegen Naftali. Die knikt
en sjokt moedeloos verder. Juda raapt al zijn moed bij elkaar. Met een paar
woorden Egyptisch en veel gebaren probeert hij aan de huisbewaarder uit te
leggen, dat zij er niks aan konden doen. Maar de man haalt lachend de schouders
op: 'Ik heb het geld gekregen, hoor! Misschien heeft jullie God het wel
teruggelegd in jullie zakken.'
In het voorportaal van het paleis worden ze een ogenblik
alleen gelaten. Zwijgend wachten ze op de dingen die komen gaan. Maar kijk eens
wie er dan binnenkomt? Simeon, gezond en wel. Hij is weer vrij.
Dan lijkt alles ineens weer goed te worden. Ze krijgen water
om hun voeten te wassen en een bediende komt vertellen dat ze die middag met de
onderkoning zullen dineren. Snap je dat nou? Eerst was die man zo nors en nu zo
supervriendelijk. Hij heeft vast en zeker gemerkt dat ze geen spionnen zijn.
Toch blijven ze zenuwachtig.
'Zorg jij voor de geschenken, Levi?' vraagt Ruben. Hij
strijkt z'n kleren glad en haalt een strootje uit z'n
baard.
Eindelijk is het zover.
'Tateretaaa!' klinkt de trompet
van de deurwacht. De onderkoning komt eraan.
'Vlug, mannen, netjes naast elkaar gaan staan en buigen,
heel diep met je neus op de grond.'
Jozef geeft een teken dat ze weer op kunnen staan.
'Hoe gaat het met uw vader, leeft hij nog?' vraagt hij
uiterlijk heel bedaard, maar van binnen erg gespannen.
'Danku, Heer, heel goed.'
antwoordt Levi eerbiedig. 'Hij leeft en zendt u deze geschenken. Amandelen,
noten, hars en wat terpentijnnoten.'
Hoewel Jozef vriendelijk bedankt heeft hij toch niet echt
belangstelling voor de geschenken. Hij kijkt naar zijn broer Benjamin.
'Is dit nu jullie jongste broer?' vraagt hij met een brok in
zijn keel. Benjamin komt naar voren en maakt weer een buiging. De anderen
buigen ook maar voor de zekerheid. Zo komt het dat ze de tranen in Jozefs ogen
niet zien. Gauw loopt hij naar een zijkamertje om even uit te huilen.
Nadat hij zijn gezicht heeft gewassen komt hij weer terug en
beveelt: 'Het eten kan opgediend worden.'
Het wordt een fantastische middag. Een ding is wel vreemd.
Ze zitten precies op volgorde van de oudste tot de jongste. Hoe weet die man
dat?
'Heb jij hem dat verteld, Simeon?'
'Ikke niet, hoor!' antwoordt die
met een volle mond.
Het eten smaakt prima. Eerlijk gezegd drinken ze wel een
beetje te veel wijn. Daar worden ze nogal vrolijk van. Lacherig zoeken ze die
avond hun slaapplaatsen op, blij dat alle moeilijkheden voorbij zijn. Morgen
weer naar huis...
Maar dat hadden ze gedroomd. Er wachten hun nog een paar
moeilijke uurtjes.
Over het halfduistere paadje naar de stallen sluipt een man.
Goed om zich heenkijkend of niemand hem ziet, gaat hij de stal binnen waar de
ezels van de broers staan geparkeerd. Weet je wie het is? De huisbewaarder. Op
Jozefs bevel legt hij het geld weer terug in de zakken. En... in de zak van
Benjamin verstopt hij... JOZEFS ZILVEREN DRINKBEKER.
Nog een keer wil Jozef hen op de proef stellen om te weten
te komen of ze wel echt veranderd zijn.