Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het is al laat in de middag. Over de stoffige weg van Dotan naar Hebron gaat een kleine
karavaan. Het zijn kooplui uit Midian, dat zie je aan
hun kleurige hoofddoeken. De kamelen en ezels zijn afgeladen met goederen: gevlochten
manden, gom, balsem, ijzeren messen, hars en sieraden van been. Hun zwarte
jassen wapperen achter hen aan in de wind als ze de dieren opjagen met een
lange tak.
'Vort! Vort! Jujuju!'
Aan de laatste kameel is een slavenjongen gebonden. Hij is
gekleed in een gescheurd wit hemd en loopt op blote voeten. Het touw striemt om
zijn samengebonden handen. Treurig sjokt hij voort. Z'n
voeten doen zo'n pijn, maar niemand bekommert zich daarom. Hij is immers maar
een slaaf.
'Vort! Vort!'
'God van mijn vader,' bidt de
jongen, 'Help mij toch! Alstublieft.'
De stoet nadert Hebron. In de
verte kun je de donkerbruine tenten zien van de herdersfamilie die hier woont.
O, de slavenjongen krijgt weer moed.
Hij kent de streek hier op zijn duimpje. Hij weet precies
waar de waterput is en waar er in de droge tijd altijd nog groen gras te vinden
is voor de schapen.
Hij kent de rotsen, waarin je je
verbergen kunt voor de stromende regens. Dat komt,
omdat de jongen hier eigenlijk woont. Scherp turen zijn ogen naar de geitenharen
tenten. En ja. Daar ziet hij wat bekende vrouwen, wat knechten en daar...
'Vader!' schreeuwt hij hard. 'Vader, help! Hier ben ik, Jozef... Va...'
Een hand knijpt zijn mond dicht. De Midianitische
kooplui willen niet dat hij zijn vader roept. Dan raken ze misschien hun slaaf
kwijt.
Ach vader is de bruine grote tent
binnengegaan. O, als hij eens wist... Hij zou Jozef zeker komen verlossen.
Hoe komt het eigenlijk dat Jozef, de zoon van de rijke
herdersvorst Jakob, hier als slaaf wordt meegenomen? Hebben de Midjanieten hem soms
gevangen?
Nee, Jozef is verkocht en nogal liefst door zijn eigen
broers. Dat kwam zo...
Jozef was de lievelingszoon van zijn vader. Je zag die twee
altijd samen. Tijdens de maaltijden zat Jozef aan vaders rechterhand en bij
familiebesprekingen luisterde vader altijd naar de raad van Jozef.
Op een keer had vader met zijn eigen handen een mooie jas
voor Jozef gemaakt. Hij zocht de beste wol uit, liet de strengen door een
dienstmeisje in heel bijzondere kleuren verven... (Geel met uienschillen en
rood met rodekoolsap) en ging dan zelf achter het weefgetouw zitten. Hij weefde
een prachtige lap met aparte patronen.
Van die lap was Jozefs jas gemaakt. Toen hij hem voor het
eerst aanhad en trots als een pauw rondstapte, werd hij door buren en bekenden
bewonderd. Wat een kunststuk!
De broers zeiden echter jaloers tegen elkaar: 'Die broer van
ons wordt straal verwend.'
Nou ware die broers niet zulke besten. Ze deden soms
stiekeme dingen. De mensen in het dorp klaagden er
steen en been over.
Toen Jozef het merkte vertelde hij
alles aan vader. Die gaf de broers een standje.
'Wij moeten leven naar Gods wetten. Liegen en stelen is
verkeerd. Hoe kunnen anderen God leren kennen als jullie zo doen?' zei hij.
De broers liepen zwijgend weg. Maar onder elkaar klaagden
ze: ''t Komt allemaal door die verwende Jozef. Vaderskindje. Puh! Een klikspaan, dat is 'ie.'
Och Jozef was zo trots op zijn vader.
Hij wilde later net zo worden als hij. Hij wilde net zo'n
sterk geloof hebben. Als vader de verhalen vertelde van overgrootvader Abraham,
van grootvader Isaak en van wat hij zelf vroeger
allemaal had meegemaakt, dan voelde Jozef van binnen zo'n
warm gevoel opkomen. O, die God wilde hij ook gaan dienen. Hij droomde er wel
van. Maar wat Jozef droomde bracht hem zelf in verwarring. Hij droomde dat hij
de leider van de familie zou worden. Het was zo fantastisch dat hij z'n mond niet kon houden.
''k Heb toch zo vreemd gedroomd,' zei hij op een dag toen ze
allemaal aan de maaltijd zaten. 'Ik droomde dat we schoven aan het binden waren
in het veld. Jullie schoven bogen voor mijn schoof. Gek, hè?'
Eén van zijn broers verslikte zich bijna in z'n wijn en een ander riep nijdig: 'Hum, hum! Wou jij soms
koning over ons worden, ventje?'
'Stilte!' riep vader en iedereen at zwijgend verder. Niet
lang daarna droomde Jozef weer. Ongeveer dezelfde droom. Nu ging het over de
zon en de maan en elf sterren die voor hem bogen. Dat ging zelfs vader Jakob te ver.
'Kom, Jozef. Wat is dat nou voor een mal verhaal. Je denkt
toch niet dat je moeder en ik voor je buigen, hè?'
Jozef haalde zijn schouders op. Tsja,
hij snapte het zelf ook niet. Zouden die dromen van God komen? Het was toch
merkwaardig dat hij tweemaal ongeveer dezelfde droom droomde.
En nou loopt hij hier. Weg dromen, weg rijkdom. Hij is een
slaaf op weg naar een onbekende toekomst. Zijn broers verkochten hem uit haat.
Ze haatten hem om zijn jas en om zijn dromen.
'Nou zullen we eens zien wat er van die Meester Dromer
terecht komt.' grijnsden ze boosaardig.
O, als vader het wist.
Jozefs voeten steken en z'n rug
doet pijn. De zon heeft zijn bruine armen roodverbrand. Wat zouden ze met zijn
jas gedaan hebben? Verbrand? Verstopt soms? Het is maar te hopen dat de Midjanieten hem straks een andere jas of een deken zullen
geven, anders wordt het flink koulijden vannacht.
'O, God van mijn vader, help mij toch. Geef dat ik straks in
de nacht kan ontvluchten. Alstublieft.'
Maar zijn gebed wordt niet verhoord. Jozef gaat verder en
verder van huis, want God heeft een plan met zijn leven.