Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Hé, stel je eens voor, dat jij een grote knul uit je klas
had laten pootje tekkelen en dat je later door zijn
straat heen moest.... Je ziet hem op de hoek bij de
patatzaak staan met een stel branieschoppers. Stel je voor, zeg! Jij steekt je
hand op om hem gedag te zeggen en dan komt hij ineens jouw richting uit met al
die vrienden van hem... Hoe zou je je voelen? Net als
Jakob, denk ik, die Esau
ging ontmoeten.
'Kijk, Uri,'
wijst Jakob, 'Morgen gaan we daar om die moerassen
heen en we volgen de weg naar het zuiden. Niet te dicht langs de rivier, daar
zijn te veel struiken en bosjes. Er kunnen wel eens leeuwen huizen...'
Het is avond. Jakob en zijn oudste
knecht staan op een hooggelegen punt om de route voor de volgende dag uit te
stippelen. Op de hoogvlakte beneden hen is het tentenkamp. Kinderen rennen
achter elkaar aan, vrouwen bereiden het eten en hier en daar zijn knechten het
vee aan het verzorgen voor de nacht... Uri knikt. Dat
wordt morgen nog een gevaarlijk tochtje met al dat vee en die kleine
kinderen...
'Ze zeggen dat het spookt bij de moerassen,' zegt hij.
'Uri,'
vermaant Jakob, 'hoe vaak moet ik je nu nog zeggen,
dat je geen geloof moet hechten aan die onzin. God is met ons en dat is
genoeg.'
Hij stuurt de bijgelovige knecht weg en blijft zelf nog even
zitten kijken. Recht voor hem uit, achter de kale grijze bergen ligt het land Kanaän, waarheen hij terugkeert.
'God is met ons,' had hij moedig gezegd, maar was hij er wel
zo zeker van? Over een paar weken zal hij z'n broer Esau weer zien. Zou die nog steeds boos zijn, hem willen
doden?
De avond daalt snel. Nevelige slierten mist drijven over het
moerassige land. Jakob zit daar maar. Hij denkt en
denkt. Een vreemd zacht geruis doet hem ineens scherp opletten... Mistige witte
figuren?... Een leger dat voorbij trekt?... Het zijn engelen!!
Ze komen van achter hem en marcheren voorbij... op weg naar het Beloofde Land.
'Een leger,' zegt Jakob schor,
'een leger van God!!'
Het lijkt wel of de Here hem
toefluistert: 'Jakob, Ik ben echt met je. Met mijn
legermacht engelen sta ik je terzij...'
Nog lang denkt Jakob terug aan
deze merkwaardige avond, maar toch sluipt de twijfel naar binnen. Het boze gezicht, de gebalde vuisten, de woede van zijn
tweelingbroer. Die gedachten beangstigen hem zo. Hij stuurt een paar knechten
vooruit om poolshoogte te nemen. Ze moeten zeggen: 'Uw knecht Jakob...' Dat staat onderdaniger dan broer.) 'is op de
terugreis met veel vee, knechten en dienstmeisjes...' (Dan weet Esau vast, dat hij niks van hem nodig heeft.) 'en hij laat
u de hartelijke groeten doen.'
Tsja, maar als ze terugkomen... O, dan
wordt Jakobs angst nog groter, want ze melden: 'Uw
broer komt eraan met vierhonderd man!!'
Dat is nota bene een leger. Zenuwachtig verdeelt hij zijn
mensen en vee in twee groepen. Als Esau één groep
aanvalt kan de andere vluchten. En wat kan hij nog meer doen?... Bidden
natuurlijk.
'O, God van Abraham en Isaak, U
hebt gezegd dat ik terugkeren moest naar mijn land en mijn familie. U bent zo
goed voor mij geweest. Red mij nu toch uit de hand van m'n
broer Esau. Misschien zal hij ons allemaal
vermoorden! U hebt toch gezegd, dat mijn nageslacht als het zand aan de zee zal
worden?'
Zo spreekt hij, maar zijn angst blijft.
Iemand die boos is kun je ook weer vriendelijk maken door
een geschenk te geven, of meer dan één misschien. Een paar honderd geiten,
koeien, kamelen en ezels vormen best een groot geschenk. Jakob
maakt er drie kudden van. Elke kudde gaat met een paar herders op stap naar Esau. Ze moeten zeggen: 'Uw knecht Jakob
komt hier achteraan.'
Maar hij gaat niet. Hij heeft gewoon het lef
niet.
Het is nacht. Iedereen slaapt, behalve Jakob.
Hij ligt maar te woelen. Allerlei angstige taferelen ziet hij in gedachten.
Bloed, pijn, dood. Tenslotte hééft
hij het niet meer. Hij staat op, maakt iedereen wakker en laat al z'n bezittingen en zijn gezin naar de overkant van de beek
brengen. Eenzaam en doodzenuwachtig blijft Jakob
achter, kijkend naar het bruisende water van de Jabbok
dat zich glinsterend in het maanlicht een weg baant door de smalle kloof.
Ineens springt er iemand op z'n rug. Bliksemsnel
draait Jakob zich om. Die persoon pakt hem in de
houdgreep en probeert hem op de grond te gooien. Jakob
worstelt, trekt, duwt, trapt. Ze zijn haast even sterk. Het ene moment ligt Jakob onder, het andere moment weer die man.
De worsteling duurt uren. Langzaam aan dringt het tot Jakob door dat er toch iets vreemds is. Die man is Esau niet en ook geen rover. Soms lijkt het wel of Jakob met zichzelf aan het worstelen is, of met iemand die
hem door en door kent. De hele nacht duurt het gevecht, tot de dag aanbreekt.
De man, die merkt hoe vasthoudend Jakob is, raakt
heel even zijn heup aan. Au, dat doet zeer! Jakob
kreunt van de pijn, maar geeft het niet op.
'Laat mij gaan,' zegt de man, 'want het wordt licht.'
Ineens heeft Jakob het door. HET
IS GOD MET WIE HIJ STRIJDT!
'Nooit!' hijgt hij. 'Eerst moet U mij zegenen.'
'Hoe heet je?' vraagt God. Dat weet Hij natuurlijk best,
maar Jakob moet het duidelijk zeggen: 'Ik ben Jakob, de bedrieger.'
'Voortaan mag je Israël heten, vorst van God, want je hebt
gestreden en overwonnen,' zegt de Here.'
Hij zegent Israël, die met haren nat van het zweet kreunend
op de grond ligt.
'O, God,' fluistert Jakob, 'Dat ik U gezien heb en ik leef nog... Ik noem het
hier Pniël.'
Stralend gaat de zon op achter de bergen als Jakob even later hinkend de beek oversteekt. Voor de rest
van zijn leven loopt hij mank.
En wie komt daar in de verte aan? Het is Esau.
Jakob zet zijn familie netjes in de rij. Rachel en Jozefje helemaal achteraan. Hij buigt en buigt. Maar raad
eens... Esau is helemaal niet kwaad meer. Hij rent
naar Jakob toe, slaat zijn sterke behaarde armen om
hem heen en geeft hem een berenomhelzing. Alles is weer goed!