Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Gebeurt het
bij jou ook wel eens dat iemand je pakken wil? Zo'n bully, met die vriendjes
van hem, die hij heeft opgestookt?
Ben je dan
bang? In het onderstaande verhaal lees je hoe God het voor Jacob opneemt.
Een groep van
een stuk of twintig mannen staat bij de tent van Laban druk gebarend te praten.
"Kom
op!" schreeuwt Labans oudste zoon, "We gaan die Jacob effe pakken... We
slaan hem gewoon in mekaar! Die vuile dief! Hij is rijk geworden door onze
erfenis te stelen."
De anderen
zijn het er roerend mee eens.
"Hij
heeft ook nog de terafim meegenomen," klaagt Laban. "Die mooie
geluksbeeldjes. Ze hangen niet meer aan de middelste tentpaal."
"Dat is
helemaal brutaal." schreeuwt een andere zoon.
"Vooruit,
jongens. Erachter aan. We halen ze nog best in."
Ze klimmen op
hun kamelen en zetten de vaart erin.
Waarom is de
familie van Laban zo kwaad? Nou, omdat Jacob stiekem met zijn vrouwen, z'n
kinderen, veel knechten en vee is vertrokken uit Haran. Hij verlangde al jaren
naar huis. Het was oom Laban die hem steeds tegenhield. Maar nu deze een paar
weken naar een schaapscheerfeest was, zag Jacob zijn kans schoon. Hij zette
koers naar het zuiden.
"Ruben,"
zegt Jacob, een paar dagen nadat ze op weg gegaan zijn, "Waarschuw direct
als je onraad ziet. Het zou best eens kunnen dat opa Laban ons achterna
komt."
De jongen
knikt. Hij kent z'n opa wel... een echte baas. Daar kan vader niet tegenop. Wel
tienmaal had hij diens loon veranderd. Steeds dat gezeur. Welk vee was nou van
opa Laban en welk vee was van vader. De laatste tijd waren de ooms trouwens ook
onvriendelijk geworden. Ze zeiden dat Jacob zo rijk geworden was door van Laban
schapen te stelen. Nou, Ruben wist wel beter. Dat vader steeds meer dieren
kreeg, kwam door de Here God. Die zegende hem.
De weg stijgt.
Ruben merkt het direct aan zijn ademhaling. Het is een hele klus om met zo'n
grote kudde over het gebergte van Gilead heen te trekken. Erg hard schieten ze
niet op. Tegen de avond stoppen ze. Vader heeft een open plek gevonden waar ze
de tenten kunnen opslaan. Ruben helpt ook hier en daar een handje. Maar steeds
houdt hij de weg in de gaten. Dat is immers zijn klus. Plots roept hij:
"Dáár, pappa, daar hebbie ze!!"
Iedereen stopt
gelijk en kijkt. Ja, inderdaad. Een snelrijdende groep kamelen komt eraan met
Laban op een ezel aan het hoofd. Vlug neemt Jacob maatregelen.
"Ruben,
jij blijft bij mij. De vrouwen en de kinderen in de tenten en alle mannen
achter mij. Pak maar iets waarmee je je verdedigen kunt."
Hoe meer de groep
nadert, hoe groter de dreiging die ervan uitgaat. Hier en daar flikkert een
mes. Vanonder het tentdoek gluren de kinderen naar de kwaaie ooms, die bijna
net zo hooghartig kijken als hun kamelen. O, wat zou er gaan gebeuren?
"Hier," fluistert Simeon tegen Levi. Hij duwt hem een stok in handen.
"Als ze de tent binnenkomen, dan sla je, hoor!"
Levi knikt
benauwd. Hij doet het haast in z'n broek van angst. De karavaan stopt vlak voor
de geitenharen tenten. De jongens kunnen alles goed zien. Laban stijgt af van
zijn ezel en beent onmiddellijk op Jacob af. Zijn grijze baard wipt kwaad
omhoog. Iedereen wacht zwijgend af. Slechts de schapen gaan door met blaten.
"Wat heb
je gedaan?" klinkt het uit Labans mond. "Je hebt mijn twee dochters
gestolen. Ik heb ze geeneens gedag kunnen zeggen of een afscheidsfeestje kunnen
organiseren voor m'n kleinkinderen. Dat is toch hartstikke idioot zoals jij
deed! Ik zou je het liefst in elkaar slaan, maar dat mag niet van jouw
God." (Hij zwijgt even om indruk te maken.) "Vannacht had ik namelijk
een droom, waarin God tegen mij zei: "Let op je woorden, Laban. Van Jacob
blijf je af. Dat is mijn vriend." Daarom zal ik m'n handen niet aan je
vuil maken."
Jacob haalt
opgelucht adem. Wat is hij blij dat God voor hen zorgt. Hij geeft een teken en
zijn mannen laten hun wapens zakken. Maar Laban wil nog wel een hartig woordje
met hem wisselen. "Eén ding zit me nog behoorlijk dwars, neef,"
vervolgt hij. "Waarom heb je mijn godenbeeldjes gestolen?"
"Uw
godenbeeldjes?" roept Jacob beledigd. "Ik heb niks gestolen. Zoek
alles maar na. Bij wie je de terafim vindt, die mag je doden."
Er gaat een
schok door Ruben heen. Die godenbeeldjes? Weet vader dan niet dat moeder Rachel
die meegenomen heeft? Hij probeert nog weg te komen om haar te gaan waarschuwen,
maar het is al te laat. Met doodsangst in het hart ziet Ruben hoe Laban en de
ooms de tenten doorzoeken. Ook de tent van moeder Rachel. Toch vinden ze niks,
want die slimme Rachel heeft de beeldjes gauw in een kamelenzadel verstopt en
ze is erop gaan zitten. Ruben hoort haar zeggen: "Mag ik blijven zitten,
pa. Ik heb zo'n buikpijn."
Laban trapt er
nog in ook. Met lege handen staat hij even later voor Jacob.
"Zie je
nou wel?" schreeuwt deze boos. "Niks gevonden, hè? Waar blijf je nou?
Zal ik u eens wat zeggen? Twintig jaar lang heb ik voor u gezwoegd. Nog niet
één bokje heb ik van u opgegeten. Zelfs als een wild dier een schaapje
verscheurde, moest ik het aan u terugbetalen. U hebt me uitgebuit. Als God, de
Here, niet met mij was geweest, dan zou u mij met lege handen hebben laten
gaan."
Ruben houdt
vaders hand stijf vast. Hij is het er helemaal mee eens. Trots kijkt hij naar
zijn vader op. Laban merkt nu wel dat het Jacob ernst is en hij probeert z'n
gezicht nog te redden.
"Vechten
wou ik helemaal niet," zegt hij, "want het zijn m'n eigen kinderen en
kleinkinderen. Laten we maar een verbond sluiten en beloven dat we elkaar geen
kwaad zullen doen."
Jacob kijkt
eens naar Ruben. Met een knipoogje zegt hij, opgelucht, "Goed. We gaan een
gedenksteenhoop maken... en als dank een offer aan de Here God brengen. Ga je
broers maar halen, Ruben."
En wie had dat
nou kunnen denken? Deze angstige dag krijgt nog een goed einde, want iedereen
wordt uitgenodigd voor een groot barbecuefeest.