OT14 - JAKOB
WORDT ZELF BEDROGEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Er loopt een jongeman over de karavaanweg naar het noorden.
Zijn mantel is stoffig en gescheurd, zijn sandalen zijn tot op de draad
versleten. Zijn benen zitten vol schrammen. Het is Jakob,
op weg naar zijn familie in Padam Aram.
Hij is nu bijna op de plaats van bestemming. Hoe zal zijn
oom hem ontvangen? En de rest van de familie? Zal hij de vrouw vinden waar hij
naar zoekt, een meisje dat de Here dient? Oef! Wat
doet die blaar op z'n voet zeer. Even stilstaan. Even
kijken naar die pijnlijk schrijnende plek.
Zou Haran nog ver weg zijn? Met z'n hand boven de ogen tuurt Jakob
de weg af. Hé, wacht eens, als hij die schapensporen daar volgt, komt hij vast
wel op een plaats waar mensen zijn. En ja! Zelfs voordat hij om de bocht van de
weg is, klinkt al het geluid van honderden schapen en geitjes. Er zijn nog al
liefst drie kuddes met hun herders bijeen bij een waterput.
'Goeiemiddag,' groet Jakob. 'Kent u Laban, de zoon van
Nahor?'
Ze nemen hem nieuwsgierig op. Wie is die vreemdeling met dat
buitenlandse accent? Eén van hen, de meest spraakzame, wijst met een vuile
knokkelige vinger in de verte.
'Jazeker, die woont daarginds. Kijk, daar komt toevallig
zijn dochter Rachel aan.'
Toevallig? Jakob glimlacht. Hij
weet wel beter. Geen toeval, maar het is de Here die
hem hierheen geleid heeft. Het meisje is nog ver weg en dus maakt hij nog maar
even een praatje met de herders. Hij vraagt waarom ze de dieren niet laten
drinken. Het is nog volop dag. Ze kunnen nog een tijdje lekker grazen. Je kunt wel
merken dat hij verstand van schapen heeft.
'We wachten tot iedereen er is.' is het antwoord. 'Want die
zware steen kunnen we alleen samen van de put afrollen.'
'Maar die is toch niet zo...'
Jakob slikt het laatste woord in, want
daar komt zijn nicht aan. Wat een knap lief meisje, zeg! Hij is op slag
verliefd. Even weet hij niks te zeggen. Er springen zomaar van die lastige
tranen in z'n ogen. Waarom eigenlijk? Tja, de reis was
lang en eenzaam... en dit nichtje is zo lief. Om zich toch maar een houding te
geven loopt hij stoer naar de put en tot verbazing van alle anderen, rolt hij
helemaal alleen de zware steen weg. Rachel snapt er natuurlijk niks van. Met
grote ogen staat ze te kijken naar die vreemdeling, die heel handig haar vee
laat drinken. Waarom doet hij dat? Het antwoord blijft niet lang uit. Als de
dieren lekker slobberen, slikt Jakob zijn tranen weg
en stelt zich voor.
'Dag Rachel, ik ben Jakob, de zoon
van je tante Rebekka.,'
Rachel weet niet wat ze hoort. Is dit haar neef? O, maar dat
moet ze gauw aan vader gaan vertellen. Ze draait zich om en rent weg. Jakob in grote verlegenheid achterlatend. Gelukkig komt Laban al gauw aanhollen om hem welkom te heten. Hij is echt
blij om de zoon van zijn zus te zien. Jakob mag
blijven logeren zo lang hij maar wil.
De volgende dag is Jakob steeds te
vinden waar de kudde is. (En waar Rachel is natuurlijk) Van stilzitten
houdt hij niet. Als het even kan steekt hij z'n handen
uit de mouwen. Oom Laban merkt dat wel. Op een dag,
ongeveer een maand later, komt hij met een voorstel.
'Zeg, neef, jij werkt zo hard bij ons, maar dat hoeft niet
voor niks, hoor! Wat zou je willen verdienen?'
Alsof Jakob erop gewacht heeft...
Hij flapt eruit: 'Ik wil zeven jaar werken om Rachel.'
Laban lacht. Ja, het was hem al
opgevallen dat Jakob verliefd was op z'n jongste dochter.
'Mij best!' zegt hij. 'Rachel kan
geen betere man krijgen.' En bij zichzelf denkt hij: 'En ik geen betere
knecht.'
Zo gaat Jakob voor Labans kudde zorgen, zeven lange jaren... Ze vliegen om,
doordat hij zoveel van Rachel houdt.
En aan het eind van die zeven jaren... wordt er feest
gevierd, bruiloftsfeest. Laban heeft alle buren
uitgenodigd voor een maaltijd. De heerlijkste spijzen worden opgediend.
Bediendes lopen af en aan met zoete, koele drankjes... Jakob,
wat onwennig in nieuwe kleren, loopt trots als een pauw rond om iedereen te
verwelkomen. 's Avonds wordt het gesluierde bruidje, onder het zingen van
vrolijke liederen, in een nieuwe tent bij Jakob
gebracht. Ze zegt niet veel, maar dat valt niemand op. De gasten zoeken nu ook
hun slaapplaatsen op. Morgen gaat het feest verder, want een bruiloft in Padam Aram duurt een hele week.
De volgende ochtend echter, wordt iedereen gewekt door een boze stem. Het geluid komt nota bene uit de tent van het
kersverse bruidspaar. Hebben ze nu al ruzie? Met een ruk wordt het tentdoek
opgetild en daar verschijnt Jakob.
'Laban!' schreeuwt hij. Met grote
stappen en gebalde vuisten beent hij weg, op zoek naar zijn oom. Die staat hem
al op te wachten.
'Oom!' roept hij kwaad. 'Wat hebt u gedaan?'
De nieuwsgierige gasten vormen een kring om hen heen. Waarom
is de bruidegom zo boos?
Wel, Laban heeft niet Rachel als
bruid aan Jakob gegeven, maar haar zus Lea. Wat een
gemene streek. En dan zegt hij nog doodleuk: 'Wist je niet, neef, dat het hier
de gewoonte is om eerst de oudste dochter te laten trouwen? Dit is je
huwelijksweek met Lea. Volgende week kun je met Rachel trouwen, als je tenminste belooft nog zeven jaar voor me te werken.'
O, nu komt de aap uit de mouw, daar was het hem om te doen. Jakob is overbluft. Hij weet niet zo gauw wat te zeggen.
Zijn blik zoekt Rachel. Staat ze daar bij de vrouwentent? Voor geen goud wil
hij haar verliezen. Dus moet hij maar berusten.
De gasten verspreiden zich weer. Zij vinden het wel prima,
dat het feest nog een weekje langer duurt. Al gauw klinkt weer hun vrolijk
gelach. Wat mistroostig zit Jakob naast Lea, die
verlegen haar fletse ogen neergeslagen houdt. Ach, zij kan er ook niks aan
doen. 't Is een beste meid, daar niet van. Maar ze kan
niet tippen aan Rachel... Ineens moet hij weer denken aan zijn eigen gemene
streek. Hoe hij zijn blinde vader bedroog. Nou voelt Jakob zelf hoe rot dat is.