Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Als Jakob niet zo treurig was
geweest, had hij vast die mooie bok wel gezien, op de rots schuin boven hem.
Onbeweeglijk staat hij daar. Moet je die prachtige kop zien met die lange,
puntige horens. Het lijkt wel een standbeeld zo tegen de hardblauwe lucht.
Zodra het dier onraad bemerkt, vlucht het met grote sprongen
weg. Feilloos vinden zijn voeten houvast op de steenachtige helling. Maar Jakob bemerkt het niet. In gedachten verzonken loopt hij
voort, de stok in de hand en een waterkruik aan de riem om z'n
middel. Wat doet hij hier eigenlijk in dit verlaten bergland? En waarom gaat
hij steeds verder van huis? Dat komt zo.
'Mevrouw, mevrouw...' roept de jongste knecht van Isaak opgewonden tegen Rebekka.
'Ik heb iets heel ergs gehoord. Ik moet het u vertellen. Uw zoon Esau wil Jakob vermoorden. Ik heb
het hem zelf horen zeggen. Hij wacht alleen totdat meneer
Isaak dood is...'
Rebekka schrikt. Was dat echt waar? Was Esau dan zo boos omdat Jakob de eerstgeboortezegen had gestolen? O, wat vreselijk. Ze moet Jakob gauw waarschuwen.
'Dank je, Mesech, dat je me dit
bent komen vertellen.' antwoordt ze uiterlijk kalm. 'Laat mijn zoon Jakob onmiddellijk bij me komen, wil je?'
Als je zo maar midden op de dag weggeroepen wordt vanachter
de schapen, moet er wel iets aan de hand zijn. Jakob
haast zich dus naar zijn moeders tent. Daar hoort hij van het dreigende gevaar.
'Jakob, Esau
wil je doden om wat je hebt gedaan. Maar dat zal niet gebeuren. Ga naar mijn
broer in Haran en blijf daar een poosje. Zodra Esau's boosheid is gezakt laat ik het je weten.'
Jakob weifelt. Moet hij vluchten naar Haran? Zo ver weg? En wat zal vader daarvan zeggen?
Maar daar weet Rebekka wel wat op.
Ze gaat naar Isaak toe en zegt: 'Isaak,
ik erger me dagelijks aan die goddeloze vrouwen van Esau.
Stel je toch eens voor dat Jakob ook met zo'n meisje thuis komt. Dat zou toch niet vol te houden
zijn? Laten we hem naar mijn familie sturen. Dan kan hij daar een vrouw
zoeken.'
'Inderdaad, Rebekka,' antwoordt Isaak, een beetje verbaasd dat ze hier zo onverwachts over
begint. 'Het is een vervelende toestand met die heidense vrouwen. Je hebt groot
gelijk. Laat Jakob maar bij me komen, dan zal ik het
wel met hem regelen.'
Dat laatste halfuurtje bij zijn vader zou Jakob niet licht vergeten. Weer lag hij geknield bij vaders
bed, maar nu niet verkleed als bedrieger. Vader houdt Jakobs
werkhanden in zijn eigen gerimpelde oude handen.
'Ga, m'n zoon,' zegt hij. 'Zoek
een vrouw die de Here dient in het land Padam Aram. En God, de Almachtige zegene
je en zal je tot een groot volk maken. Dit land zal voor jou en je kinderen
zijn.'
Beschaamd heeft Jakob
geluisterd... Deze zegen, de zegen van opa Abraham en vader Isaak...
is hij die wel waard? Zou de Here met zo'n bedrieger als hij wel contact willen hebben? Met tranen
in z'n ogen neemt hij even later afscheid...
Zo komt het dus dat Jakob nu hier
in dit verlaten bergachtige gebied loopt. Hij heeft alle tijd om na te denken.
Zou hij Berseba nog ooit terugzien? Zijn vader, zijn
moeder en zijn broer Esau?... Moedeloos en moederziel
alleen loopt hij verder, steeds verder weg. Als het avond wordt en de zon snel
wegzakt achter de bergen, zoekt Jakob bijtijds een plaatsje om de nacht door te brengen. Met z'n stok slaat hij door het dorre gras. Zitten er geen
slangen verscholen, of grote spinnen? Brr! Je moet er niet aan denken... Op een geschikte plek,
lekker uit de wind, spreidt hij zijn jas uit. Een grote steen is zijn
hoofdkussen. Wel een beetje hard, Maar ja, wat wil je? Doodmoe van de tocht valt
hij al gauw in een diepe slaap.
Een klipdasje komt nieuwsgierig naar die slapende man
kijken. Z'n neusje wipt grappig op en neer. Jakob merkt het niet. Hij slaapt rustig door. De maan komt
op... Hij schijnt op de rotsen en tovert langgerekte schaduwen te voorschijn.
Eén manestraal schijnt precies op Jakobs gesloten
ogen. Hij merkt er niets van, want... hij droomt. Het is een heel erg mooie
droom.
Een ladder van licht reikt tot in de hemel en engelen
klimmen op en neer. Een groot verlangen is er in zijn hart om ook naar boven te
gaan. Hij volgt de engelen met zijn ogen. En dan ziet hij iets ongelooflijks...
Helemaal bovenaan die ladder staat... de Here God
zelf. Ja, en Hij spreekt tot hem. Hoor!
'Ik ben de Here, de God van
Abraham en Isaak en ook jouw God. Dit land, waarop je
ligt te slapen zal ik aan jou en je nageslacht geven. En alle mensen van de
wereld zullen met jou en met je nageslacht gezegend worden. Zie, Ik ben met je.
Ik zal je behoeden, overal waar je heengaat en je weer terugbrengen naar dit land.
Nooit zal Ik je verlaten.'
De droom is uit. Jakob wordt
wakker. Een moment weet hij niet waar hij is, maar dat duurt niet lang. Hij
herinnert zich alles... de ladder, de engelen en de woorden van God. Met z'n armen om z'n benen geslagen, kijkt Jakob
naar de schitterende kleuren van de opgaande zon. Hij heeft toch zo'n blij gevoel van binnen.
'Dit lijkt wel een poort naar de hemel,' denkt hij, 'Ik noem
het hier Betel, huis van God.'
Plechtig zet hij dan de steen, waarop hij met zijn hoofd
lag, recht overeind. Deze plek is heilig... een plaats om te onthouden. Een
kruikje olie, dat hij van thuis had meegenomen voor als hij soms gewond zou
raken, giet hij als een dankoffer over de steen. Dik en geel druipt de
vettigheid omlaag.
'Als U zo goed bent, Here God,' belooft Jakob, 'Dan zult u ook
mijn God zijn. Als ik hier weer terugkom, krijgt u van alles wat ik heb een
tiende deel.'
Op de eenzame weg, die van Berseba
naar het noorden loopt, loopt Jakob. Verder en verder
van huis naar een onbekend land en een onbekende familie... Zijn stok tikt
vrolijk op het pad en zijn ogen kijken blij de toekomst tegemoet.